Toen en nu

Dit artikel hoort bij: Kei 11: Vastgoed én omgeving

De cirkel is rond in Veenhuizen

Tekst Marjolein Overmeer
Foto Collectie Gevangenismuseum Veenhuizen

Veenhuizen is verkocht. Het Drentse gevangenisdorp, dat nationale bekendheid verwierf door het boek ‘Het pauperparadijs’, is in bezit gekomen van consortium De Nieuwe Rentmeester. De cirkel is rond: de toekomstplannen liggen in lijn met het experimentele en sociale karakter van de koloniën van weleer. 

Het Rijksvastgoedbedrijf verkocht recent zo’n 80 panden uit het dorp Veenhuizen, met daarbij rond de 45 hectare grond. Het gaat hier om een ensemble van rijksmonumenten en dus beschermd erfgoed. De lat lag dus hoog en er gingen jaren overheen voordat de juiste koper geselecteerd was. Het consortium, dat bestaat uit de erfgoedorganisaties Nationale Monumentenorganisatie, BOEi en Stichting Het Drentse Landschap, voldoet aan alle eisen: in hun toekomstplannen speelt de bijzondere samenhang tussen de monumentale gebouwen en hun functie (arbeid, detentie en zorg) een belangrijke rol, ze kunnen het ensemble als geheel overnemen zodat de eenheid bewaard blijft en ze hebben ervaring met het beheer van cultureel erfgoed. Het verhaal van gevangenisdorp Veenhuizen eindigt niet met de verkoop, maar krijgt een nieuw vervolg.

  • Uit het oog is niet altijd uit het hart: volg de geschiedenis van Veenhuizen op de voet en bekijk de reeks foto’s hieronder van toen naar nu.

Kolonie gesticht

Generaal Johannes van den Bosch (1780 -1844) heeft voor zijn tijd een radicaal idee: om de armoede in de overvolle steden te bestrijden moeten er koloniën gesticht worden in dunbevolkte en onontgonnen gebieden. Drenthe is de perfecte plek om arme Randstedelingen zonder toekomstperspectief hoop op een beter leven te geven.

In de eerste zelfvoorzienende kolonie krijgen ze een eigen huisje, verbouwen ze hun eigen eten of leren ze een ambachtelijk vak. De kolonisten krijgen daarnaast medische zorg en hun kinderen onderwijs. Het is 1818 en Utopia lijkt werkelijkheid geworden.

Beeld: Rijksstudio

Onvrije kolonie

De werkelijkheid is weerbarstiger. In 1823 opent de dwangkolonie Veenhuizen de deuren. Minder mensen dan verwacht willen huis en haard verlaten om te gaan pionieren op het plattenland in het verre Drenthe. De kennis om dit succesvol te doen, hebben de meeste stedelingen ook niet in huis. Aan de andere kant stijgt de armoede en daarmee ook het aantal ten vondeling gelegde kinderen en wezen in de stad. In Veenhuizen krijgt een deel van de wezen onvrijwillig een werkplek en ook landlopers en bedelaars komen hier terecht met het idee om ze te heropvoeden.

Het zijn niet de meest geschikte arbeiders en het plan om zelfvoorzienend te zijn, en daarmee de kosten laag te houden, valt in het water. De kolonie Veenhuizen gaat in 1859 failliet en komt in handen van het Rijk. De wezen krijgen voortaan elders een plek.

Beeld: Rijksstudio

Gevangenis

Vanaf het begin van de twintigste eeuw verandert Veenhuizen steeds meer in een heus gevangenisdorp. Het Rijk laat dan twee nieuwe gestichten bouwen: het huidige Esserheem en Norgerhaven. Na het opdrogen van de aanwas aan landlopers verandert het gesticht in een gevangenis met alleen nog criminelen. Arbeidsethos blijft belangrijk en elke ochtend verlaten de mannen de gevangenis om te werken.

De bewakers en de rest van het personeel wonen met hun gezinnen naast de gevangenissen: voor de kinderen is het heel normaal dat gevangenen de plantsoenen naast hun huis schoffelen. Tot 1984 komen alleen het personeel en hun gezinnen met een speciale vergunning het dorp in en uit. Verder heeft niemand hier iets te zoeken.

Beeld: collectie gevangenismuseum Veenhuizen

Biertje?

Eind jaren tachtig laat het Rijksvastgoedbedrijf de gevangenissen moderniseren en verrijzen er hekken om de gevangenisterreinen. De voormalige dienstwoningen van de kolonie buiten het detentieterrein hebben hun nut verloren voor het Rijk. Het Rijksvastgoed begint met de verkoop van woningen en verhuurt de overige voormalige koloniepanden zoals de kerken, de maalderij, de apotheek en het voormalige bedelaarsgesticht. Met de opening van het Nationaal Gevangenismuseum in het oude gesticht, krijgt het dorp in 2008 een toeristische attractie. Dat trekt ook andere ondernemers aan: zo zit er een ambachtelijke brouwerij in de maalderij en een B&B in de consistorie.

Beeld: Rijksvastgoedbedrijf

Toerisme

De naamsbekendheid van Veenhuizen en daarmee het toerisme neemt echt een vlucht met de komst van theaterstuk ‘Het pauperparadijs’ in het dorp. Dit stuk is gebaseerd op het gelijknamige boek van Suzanna Jansen en speelt zich af in de Drentse koloniën. Deze naamsbekendheid biedt De Nieuwe Rentmeester, de koper van het ensemble in Veenhuizen, kansen voor de toekomst. Sonja van der Meer is directeur van Stichting Het Drentse Landschap, één van de drie partijen binnen het consortium: ‘We zijn heel blij met de mogelijkheid om het bijzondere historische verhaal van Veenhuizen een vervolg te kunnen geven. Een bezoek aan dit dorp zou op ieders bucketlist moeten komen!’

Beeld: Rijksvastgoedbedrijf

Eén geheel

Stichting Het Drentse Landschap is al langer verbonden met Veenhuizen, vertelt directeur Van der Meer: ‘Onze stichting wil behouden wat waardevol is voor de Drentse geschiedenis en daarom hebben we hier eerder al de boerderij Essererf en Klein Soestdijk gekocht. Toen we vernamen dat het Rijksvastgoedbedrijf 80 panden wilde afstoten, waren wij erg bang dat die panden aan verschillende partijen verkocht zouden worden. Door versplinterd bezit verlies je het geheel en daarmee verlies je ook het historische verhaal achter dit unieke dorp. Wij zijn alleen te klein om zelf 80 panden te beheren, vandaar dat we in het consortium zijn gestapt. Je hebt een brede expertise nodig om Veenhuizen te behouden en die hebben we nu met De Nieuwe Rentmeester in huis.’

Beeld: Reyer Boxem

Verkoopproces: spannend

Al voor Veenhuizen op de markt komt, toont het consortium interesse. Ze zijn alleen niet de enige geïnteresseerde partij en het Rijksvastgoedbedrijf opent eind 2019 de inschrijving voor de verkoop. Van der Meer: ‘Daar waren we niet blij mee. Het duurt jaren voordat je alle fases, met elk weer hun eigen eisen, doorlopen hebt. Elke keer hadden we weer de zenuwen of we door zouden zijn. Maar met name voor de bewoners en ondernemers in de huurpanden was dit proces lastig, want wie plannen had, moest wachten op de nieuwe eigenaar. Zo wil het Gevangenismuseum uitbreiden omdat ze tienduizenden bezoekers per jaar meer krijgt dan ze kwijt kan. Het Rijksvastgoedbedrijf heeft wel meegeholpen aan de ontwikkeling van een plan, maar het laat de uitvoering over aan de nieuwe eigenaar.’

Beeld: Rijksvastgoedbedrijf

Geen reuzenrad

‘Het Rijksvastgoedbedrijf wilde niet over een nacht ijs gaan, vandaar dat het verkoopproces lang duurde. Ons belangrijkste doel was de juiste koper vinden die zorgvuldig zou omgaan met dit erfgoed’, legt Nico Smiet uit. Als projectdirecteur bij het Rijksvastgoedbedrijf is hij nauw betrokken bij de verkoop. ‘Alleen partijen met voldoende ervaring op het gebied van het beheer van cultureel erfgoed konden zich inschrijven. De partijen moesten onder andere een plan van aanpak maken dat de bestaande monumenten versterkt. Toerisme is prima, maar je zet geen reuzenrad naast dit erfgoed. Een onafhankelijke beoordelingscommissie besloot na elke fase wie er door mocht naar de volgende ronde. Uiteindelijk is er een partij overgebleven die echt onderscheidend is. De toekomst zal het uitwijzen, maar wij hebben er een goed gevoel bij.’

Beeld: Arenda Oomen

Opknappen, nieuwe huurders aantrekken

Begin juli krijgt De Nieuwe Rentmeester officieel de sleutel van de 80 panden in handen. En dan? Van der Meer: ‘De komende weken zijn we druk bezig met de overdracht: checken of alles klopt wat op papier staat. Daarna gaan we in gesprek met de inwoners en ondernemers die van ons huren. We willen weten wat er speelt in het dorp en we maken een prioriteitenlijst voor wat we het eerst moeten gaan aanpakken. En uiteraard vieren we, zodra dat mogelijk is, een feestje! De komende jaren zijn we wel zoet met het opknappen van de panden en verder willen we nieuwe huurders aantrekken. Ook willen we nieuwe plannen maken zodat we bezoekers genoeg kunnen aanbieden om een hele dag in Veenhuizen door te brengen.’

Beeld: Marianne Schijf

Experimenteren

Meer toerisme is bij lange na niet het enige toekomstperspectief voor Veenhuizen, als het aan het consortium ligt. Ze willen er een experimentele plek van maken, in navolging van de ideeën van generaal Van den Bosch, en geen pretpark. Van der Meer vertelt enthousiast: ‘We hopen pioniers aan te trekken. Mensen die mogelijkheden verkennen op de terreinen waar de samenleving nu vastloopt. Bijvoorbeeld door hier aan de slag te gaan met generatie-wonen, oftewel een leefgemeenschap van meerdere generaties bij elkaar. Of door te komen experimenteren op het gebied van landbouw, aan de hand van proefvelden. De ideeën zullen ook vanuit de samenleving moeten komen, want we leggen geen plan van bovenaf op het dorp.’

Beeld: stichting Het Drentse Landschap

Niet uit het hart

‘Uiteindelijk is ons doel is om Veenhuizen zo aantrekkelijk mogelijk te maken. Voor pioniers, voor ondernemers, voor toeristen en natuurlijk voor de bewoners’, voegt Van der Meer toe. ‘Een dorp met niet alleen een unieke geschiedenis, maar waar nog veel meer te beleven valt. Waar geëxperimenteerd wordt, waar we projecten opzetten met de gevangenen uit het dorp. Waar je kunt komen onthaasten omdat Veenhuizen midden in de natuur ligt. In het najaar moet ons stappenplan in ieder geval klaar zijn en zullen we delen wat er gaat gebeuren en wanneer. En heb je een experimenteel idee dat van waarde kan zijn voor onze maatschappij? Hou Veenhuizen dan vooral in de gaten!’ Dit interessante toekomstperspectief was een belangrijke reden voor het Rijksvastgoedbedrijf om aan deze partij te verkopen. Het zal zijn voormalige dorp dan ook zeker blijven volgen: uit het oog is niet altijd uit het hart.

Beeld: Rijksvastgoedbedrijf