Magazine van het Rijksvastgoedbedrijf | Kei 8: Duurzaam Vastgoed 2019

Magazine van het Rijksvastgoedbedrijf | Kei 8: Duurzaam Vastgoed 2019

Deze printvriendelijke versie bevat niet de volledige inhoud van het online magazine, maar alleen de teksten en een beperkte selectie foto´s. Het hele online magazine met alle foto´s, video´s en multimedia kan worden bekeken op:
https://magazines.rijksvastgoedbedrijf.nl/kei/2019/08/index

Nog een tip voor het geval u het magazine wil printen: Heeft u een Windows-computer en bekijkt u het magazine met het programma Chrome? Dan adviseren we u voor het afdrukken alleen gebruik te maken van het zogenoemde dialoogvenster (Ctrl+P).

Dit artikel hoort bij: Kei 8: Duurzaam Vastgoed

‘Never waste a good crisis’

Frank Foreman

Tekst Anka van Voorthuijsen
Foto Frank Foreman. Beeld: Arenda Oomen

Zonnepanelen op kantoorpanden, windturbines langs rijkswegen, groene daken, smartbuildingtechnology, gebiedssamenwerking: het Rijksvastgoedbedrijf werkt op veel fronten tegelijk aan verduurzaming. Tegelijk staan de beelden van protesterende boeren en bouwers bij iedereen nog scherp op het netvlies. ‘Ook voor het Rijksvastgoedbedrijf en de bouwsector heeft de stikstofcrisis grote gevolgen’, zegt Frank Foreman, directeur portefeuillestrategie en portefeuillemanagement.

Maar, zegt hij meteen: ‘never waste a good crisis’. Foreman: ‘Er zal een enorme innovatiedrang ontstaan om de bouw te vergroenen. Minder fossiele brandstoffen gebruiken betekent misschien dat er op de lange termijn op de bouwplaats meer met stekkers wordt gewerkt dan met dieselaggregaten. Komen er elektrische vrachtwagens, aggregaten op waterstof? Hoe dan ook: ik ben ervan overtuigd dat de ontwikkelingen nu snel zullen gaan. Deze stikstofcrisis geeft aan hoe belangrijk het is om duurzaamheid te stimuleren.’

Maatschappelijke meerwaarde

Het rijkvastgoed dient al een aantal jaren veel meer doelen dan alleen het ondersteunen van het primaire proces door het faciliteren van huisvesting voor ambtenaren, gevangenen of soldaten. Foreman: ‘We willen waar mogelijk maatschappelijke meerwaarde creëren met ons vastgoed. We experimenteren met het inzetten van overtollig vastgoed voor sociale woon-werkprojecten met werkloze jongeren bijvoorbeeld. We werken aan de verduurzaming van ons eigen vastgoed, maar we kijken ook breder: hoe kunnen we met dat vastgoed bijdragen aan verduurzaming in het algemeen: de energietransitie, het stimuleren van circulair bouwen, biodiversiteit, het reduceren van het energieverbruik.’

Interessant voorbeeld daarvan is het Regionaal Ontwikkelprogramma (ROP), waarbij het RVB de samenwerking zoekt met verschillende partijen in een bepaald gebied. Foreman: ‘Zoals bij Moreelse, dat grenst aan het stationsgebied van Utrecht. Een aantal vastgoedeigenaren en beheerders gaat daar samen aan de slag. Niet alleen met het verduurzamen van de eigen gebouwen, ook op het gebied van energievoorziening, mobiliteit, programmering en openbare ruimte. Zodat de omgeving op veel fronten aan kwaliteit wint.’

Enthousiasmeren

Natuurlijk wil het RVB als onderdeel van de Rijksoverheid en grootste vastgoedbeheerder van Nederland het goede voorbeeld geven en waar mogelijk een voortrekker zijn. ‘We geven voorzetten, proberen te enthousiasmeren’, zegt Foreman. Maar, nuanceert hij direct: ‘Soms hebben we moeite om het tempo van de markt bij te benen. De slagkracht van een commercieel bedrijf is natuurlijk groter dan die van de overheid.’ Foreman: ‘Wij zijn meer van step-by-step-approach. Het voordeel is dat we nieuwe ontwikkelingen uit de markt steeds mee kunnen nemen.’

Routekaarten

De ambities voor de complete vastgoedportefeuille: CO2-neutraal in 2050. Hoe dat doel wordt bereikt voor de kantorenvoorraad ligt vast in een zogeheten ‘routekaart’. Er wordt nu gewerkt aan routekaarten voor ingewikkelder vastgoed, zoals gevangenissen en kazernes. ‘Het gesprek met de gebruikers is voor ons erg belangrijk.’ Niet alleen in verband met praktische problemen (‘een gevangenis maak je niet even leeg om duurzaam te renoveren’) maar ook om de ambities te kennen, geeft hij aan: ‘Waar willen onze gebruikers vol op inzetten als het om duurzaamheid gaat? Op energiebesparing, op het zelf opwekken van energie op eigen terrein? Willen ze de directe omgeving klimaat-adaptief maken of de buitenruimte verduurzamen? Na die gesprekken kunnen we beter maatwerk leveren.’

Natuurlijke momenten

Foreman: ‘Onze routekaarten laten zien hoe we op een efficiënte, gestructureerde manier de gestelde doelen willen halen. We verminderen het energie- en grondstoffengebruik en verduurzamen op ‘natuurlijke momenten’. Waar mogelijk versnellen we.’ Onlangs werd vanuit de regering zo de ambitie uitgesproken om alle rijksdaken binnen 3, 4 of 5 jaar te voorzien van zonnepanelen. ‘Natuurlijk is het lovenswaardig om zo snel mogelijk aan de slag te gaan, maar je moet wel kijken welke consequenties dat heeft voor de kosten. Je moet rationeel blijven.’

Technologie gedreven onderzoek

Het RVB experimenteert met smart building technology in sommige eigen kantoorpanden. ‘Daarmee kunnen we aantonen hoe goed of slecht een pand bezet is, en op welke tijden. Technologie gedreven onderzoek kan leiden tot lager energiegebruik: als er niemand aanwezig is, hoef je een ruimte niet te verwarmen of te verlichten.’ Het zou kunnen leiden tot het afsluiten van bepaalde verdiepingen of misschien zelfs hele gebouwen op rustige dagdelen. Foreman: ‘Het is een overweging. We laten het onderzoeken en adviseren. Maar we beslissen als RVB natuurlijk niet over de bedrijfsvoering van gebruikers.’

In het voetspoor

Dit artikel hoort bij: Kei 8: Duurzaam Vastgoed

Circulariteit in de praktijk

Kei 8 In het voetspoor: Crystal Ririassa

Tekst Anka van Voorthuijsen
Foto Programmamanager circulair bouwen Crystal Ririassa. Beeld: Arenda Oomen (portret), Hans Roggen (reportage)

Crystal Ririassa is programmamanager circulair bouwen bij het Rijksvastgoedbedrijf. Ze heeft het over biobased renoveren, de losmaakbaarheid van een gebouw en het materialenpaspoort: circulariteit brengt duidelijk een eigen vocabulaire met zich mee. ‘Het is voor veel mensen nog een vaag thema. We willen laten zien wat het in de praktijk betekent en wat er mogelijk is. Dan neemt de koudwatervrees vanzelf af.’

Circulariteit in de praktijk

Loop mee met programmamanager Crystal Ririassa en kijk hoe circulariteit wordt toegepast bij bijvoorbeeld het duurzame Rijkskantoor de Knoop. Of de nieuwe spreekkamers van de Belastingdienst.

  • Klik op de >> pijlen in de foto’s of op de bullets eronder en mis geen stap.
Extra: Huis van de Natuur

Dit artikel hoort bij: Kei 8: Duurzaam Vastgoed

Poets het verleden niet weg

Voormalige TBS kliniek Oldenkotte

Tekst Anka van Voorthuijsen
Foto Verbeelding van een toekomstscenario van voormalig TBS-kliniek 'Oldenkotte' in Rekken. Beeld: Rijksvastgoedbedrijf

De voormalige tbs-kliniek Oldenkotte is een ‘onmogelijk gebouw’ op een ‘verkeerde plek’. Toch denkt het Rijksvastgoedbedrijf dat het mogelijk is om het al jaren leegstaande complex nieuw leven in te blazen en waardevolle betekenis te geven voor de regio.

Honderd jaar werden in een uithoek van de Achterhoek mannen verpleegd die veroordeeld waren tot tbs met dwangverpleging. Oldenkotte is een groot complex (oppervlakte 15 hectare) met meerdere gebouwen. Behalve de voormalige kliniek met verblijfsafdelingen en binnenhoven staat er een bedrijfswoning met garage op het terrein, een hoofdgebouw met kantoor, kantine en een keukengebouw. Het ligt vrij in het buitengebied en is omgeven door sportvelden, grasland en zelfs waterpartijen.

Stigma

Sinds de opening in 1914 heeft de tbs-instelling (onderdeel van de Rekkense inrichtingen) altijd een stempel gedrukt op de directe omgeving. In positieve zin: Oldenkotte bood een eeuw lang honderden mensen een baan. Maar de voorziening was tegelijkertijd een stigma: woningen in de directe omgeving van de ‘gekkies’ waren minder waard en aangezien de bewoners geen lieverdjes waren, was het terrein afgesloten van de buitenwereld en een no go area voor wie er niets te zoeken had.

In 2014 ging de kliniek dicht en na verloop van tijd kwam het overtollige complex in handen van het Rijksvastgoedbedrijf. Verkopen lukte niet, het was moeilijk her te bestemmen en Rekken ligt bovendien in een krimpregio. ‘Sloop leek na vijf jaar leegstand de enige optie’, zegt Marc van Roosmalen, senior architect en adviseur bij de afdeling Architectuur en Techniek van het RVB. ‘Maar dan ga je mee in een neerwaartse beweging. Je laat de regio met lege handen en een uitgegumde plek achter. Bij ons ontstond het idee dat er iets anders mogelijk moet zijn. Dat we moeten zoeken naar een ontwikkeling die juist kansen en perspectief biedt. En die de geschiedenis van die plek afleesbaar houdt.’

Maatschappelijke meerwaarde

Dat perspectief ligt er nu, in de vorm van een nota van uitgangspunten met de titel ‘Huis van de Natuur’. Een ontwikkelingsplan, afgestemd met de gemeente Berkelland, dat haaks staat op de standaardwerkwijze in dit soort situaties. Huis van de Natuur beoogt om dit afgeschreven en ogenschijnlijk onbruikbare vastgoed, te gebruiken om maatschappelijke meerwaarde te creëren. In dit specifieke geval: bij te dragen aan ‘de emancipatie van de periferie’, waar rijksbouwmeester Floris Alkemade zich al jarenlang sterk voor maakt. Alkemade presenteerde het plan dit najaar in Rekken aan een volle zaal, en iedereen, van de inwoners en oud-medewerkers tot en met het college van B en W van de gemeente Berkelland, werd enthousiast. Van Roosmalen: ‘Dat we als overheid een nieuw betekenisvol verhaal willen maken en de identiteit van deze plek erkennen, wordt gewaardeerd.’

Teruggeven aan de natuur

Wat staat de rijksbouwmeester en Van Roosmalen nu precies voor ogen? Samengevat: verval als ontwikkelkans. In grote lijnen: om het complex, nadat alle nog bruikbare materialen eruit zijn gehaald, ‘gecontroleerd terug te geven aan de natuur’. Hoe? Gebouw(delen) kunnen worden gedemonteerd tot op het casco, er kan -met al aanwezige materialen- aan nieuwe constructies worden gebouwd, zowel binnen het complex als in de regio. Er is ruimte voor buitenkunst op het terrein en bij het hoofdgebouw mag de natuur (‘met zachte hand begeleid’) z’n gang gaan. 'De omgeving biedt daarvoor zeker kansen', zegt Van Roosmalen. ‘Er is water, in de vorm van voormalige tichel (klei)putten van een steenfabriek. Het was hier vroeger allemaal woeste heidegrond en je zit in het voormalig stroomgebied van de rivier de Berkel. De architectuur van het complex is functioneel en architectonisch minder waardevol. Maar door delen te slopen en andere zaken te behouden krijg je denk ik een bijzondere, moderne ruïne-achtige setting, die zich in de loop der jaren ook kan doorontwikkelen.'

Hij ziet zelf projecten als de Ecokathedraal van Louis Le Roy (bij Heerenveen), de Verbeke Foundation (Vlaanderen) en het open air museum Insel Hombroich als zijdelingse inspiratiebronnen. Maar het draait vooral om verbeeldingskracht, zegt Van Roosmalen. ‘Out-of-the-box willen denken. Zo kan het in plaats van niks, als je gaat slopen, een unieke plek worden voor Nederland. Een plek waar ontwikkeling van nieuwe natuur en cultuur met betekenis voor Rekken en de wijde (grens)regio samengaan.’

Passend bij lokale omstandigheden

De achterliggende gedachte is steeds: zorgen dat dit gebied een bij de lokale omstandigheden passende invulling krijgt. De voormalige kliniek, of een deel daarvan, gaat deel uitmaken van een ‘parkachtig landschap’ dat publiek toegankelijk is en gebruikt kan worden voor recreatieve en culturele activiteiten. Een quick win zou bijvoorbeeld kunnen zijn om de voormalige keuken om te bouwen tot pleisterplek voor fietsers en wandelaars en een bestaand klompenpad door te trekken over het terrein. Er is plek voor ‘artist in residence’ projecten, eventueel een buitenkunst-expositie in de zomermaanden. Misschien is een bed & breakfast (‘slapen in een voormalige cel’) een haalbare optie. Er zijn ongetwijfeld ruimtes geschikt als werkplaats of atelier. Wat te denken van een escaperoom of een fietscross-circuit? En waarom geen klein TBS-museum?, opperden de Rekkenaren tijdens de presentatie. Veel voormalige werknemers van de kliniek hebben objecten, foto’s en herinneringen aan de historie van deze plek. Poets het verleden niet weg, maar leg daarmee de basis voor de toekomst. De bewoners zijn huiverig voor ‘Efteling-achtige toestanden’ en willen niet dat bestaande voorzieningen in de regio worden verdrongen. Maar er was veel animo voor het ontwikkelingstraject dat de rijksbouwmeester presenteerde: iets nieuws, aanvullend en versterkend op wat er nu is.

Marktconsultatie

Het Rijksvastgoedbedrijf gaat nu via een innovatieve marktconsulatie onderzoeken of er geïnteresseerde partijen zijn voor dit bijzondere transformatie-scenario. Van Roosmalen: ‘We hebben nu enthousiaste mensen nodig die de kliniek willen kopen en willen transformeren tot een Huis van de Natuur. Die dit met steun van de gemeente en de plaatselijke bevolking van de grond willen trekken. Zie dit lege gebouw niet als ballast, maar geef het een kans, zodat deze plek en dit complex weer een nieuwe betekenis krijgt.’

Andere bril

Dit artikel hoort bij: Kei 8: Duurzaam Vastgoed

Naar duurzaam vastgoed bij Defensie

Tülay Berk

Tekst Bas van Horn
Foto Tülay Berk voor het ministerie van Defensie aan de Kalvermarkt in Den Haag. Beeld: Arenda Oomen

Tülay Berk is programmaleider duurzaamheid en energietransitie bij het ministerie van Defensie. Ze werkt samen met het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) en andere collega’s aan ‘vanzelfsprekende’ duurzaamheid. ‘Het gezondheidscentrum in Stroe is de blauwdruk voor de rest.’

Hoe gaat Defensie dit aanpakken?

‘Het Rijksvastgoedbedrijf heeft, als beheerder van het vastgoed van Defensie, een routekaart duurzaam vastgoed opgesteld. Deze routekaart is gekoppeld aan het Strategisch Vastgoedplan (SVP). Daarin staat hoe we de natuurlijke momenten van vernieuwing en onderhoud aangrijpen voor duurzamer en energievriendelijker Defensievastgoed.’

Berk rekent daarbij op haar team, op de mensen die straks weer een nieuwe visie schrijven en op de directie Financiën & Control die ervoor moet zorgen dat duurzaamheid in de begroting komt. Ook werkt zij samen met programmamanager duurzaamheid Martijn Voorham van het Rijksvastgoedbedrijf en zijn collega’s bij Economische Zaken en Klimaat, Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties en het ministerie van Infrastructuur en Water.

Wat is er nodig?

‘Het vraagt om te beginnen een schouw van al het vastgoed om een inventarisatie van de opgave te maken. Daarna bepalen we de volgorde in die opgave, want niet alles kan en zeker niet tegelijk. Dat heeft te maken met budget, capaciteit bij Defensie en het Rijksvastgoedbedrijf, maar bijvoorbeeld ook met krapte op de bouwmarkt en innovatie voor duurzaamheid. Daarom werken Defensie en Rijksvastgoedbedrijf aan een plan van aanpak voor een marktverkenning nieuwbouw. Pilotprojecten moeten uitwijzen welke duurzame technieken rijp zijn voor invoering. Van die verkenning moeten de uitkomsten binnen 2 jaar beschikbaar zijn.’

Kan Defensie dit alleen?

‘Voor nieuwbouw is bijna energieneutraal gebouw (BENG) inmiddels de standaard bij Defensie.  Maar met BENG zijn we er niet. Kijk naar het klimaat, de biodiversiteit en de stikstofproblematiek. Hoe we meer kunnen doen bespreek ik niet alleen met het Rijksvastgoedbedrijf, maar ook met de andere departementen. We schrijven nu al samen aan verduurzamingsscenario’s om uit te zoeken waar maatregelen de grootste impact hebben. Dat betekent wat mij betreft ook dat de grote opgave van Defensie niet alleen door ons gedragen kan worden.’

Wanneer gaat het beginnen?

‘Het is al begonnen. Op de generaal-majoor Kootkazerne in Stroe werd in oktober een gloednieuw en bijna energieneutraal gezondheidszorg- en tandheelkundigcentrum geopend. Het is de blauwdruk voor een reeks van dergelijke centra. Het markeert de weg omhoog als het gaat om vastgoed en voorzieningen bij Defensie. Ook het Kleding- en Persoonsgebonden Uitrustingbedrijf (KPU-bedrijf) in Soesterberg en de Marinehaven willen zonnepanelen op de daken. Die opdracht ligt inmiddels bij het RVB. Met de vliegbasis Leeuwarden gaan we binnenkort bespreken hoe het daar duurzamer kan. De samenwerking met het Rijksvastgoedbedrijf gaat daarbij soepel en in vol vertrouwen. Het kan best zijn dat het weleens anders was - ik heb geen geschiedenis met het Rijksvastgoedbedrijf - maar dit is mijn ervaring.’

Wanneer is het programma klaar?

‘Ik leid een team van 3 dat na 3 jaar weer ontbonden zal worden, want ik vind het goed om het programma tijdelijk te houden. Maar de transitie moet de komende jaren zo geworteld raken dat het vanzelfsprekend in alle cycli terecht komt.’

Parel!

Dit artikel hoort bij: Kei 8: Duurzaam Vastgoed

Excellent in duurzaamheid en snelheid

EMA gebouw

Tekst Irene Visser
Foto Groene wand van duizenden plantjes in het kantoor. Beeld: Rob Acket

Duurzaam en snel bouwen kunnen prima samengaan. Het bewijs is het gloednieuwe gebouw van het Europees Geneesmiddelen Agentschap (EMA) op de Zuidas in Amsterdam. Volgens menigeen was de planning voor het nieuwe kantoorpand, waarvan de bouw in mei 2018 startte, ondoenlijk krap. Maar niet alleen is het gebouw -zoals beloofd- op 15 november opgeleverd, het heeft ook een van de hoogste standaarden op het gebied van duurzaamheid. Met recht een parel.

Excellent ontwerp

Het duurzaamheidsprogramma van het Rijksvastgoedbedrijf (RVB) voor het EMA-gebouw was in lijn met de eisen die de gemeente stelt aan bouwen op de Zuidas. En uit de gesprekken die het RVB voerde met EMA in Londen bleek ook het hoge ambitieniveau van de toekomstige gebruiker voor duurzame huisvesting. Deze gezamenlijke ambitie leidde tot resultaat: het EMA-gebouw ontving begin 2019 het BREEAM-ontwerpcertificaat. Het scoorde ‘excellent’ op deze -van oorsprong Britse, maar inmiddels internationale- duurzaamheidsmeetlat. Duurzaamheid werd integraal beoordeeld op bijvoorbeeld energiezuinigheid, gezondheid, het omgaan met water, afval en transport.

Directeur-generaal Annet Bertram: ’De bouw van het nieuwe EMA-gebouw is een mooi voorbeeld van een succesvolle samenwerking in de bouw, maar ook de continue afstemming tussen de gebruiker EMA, de opdrachtgever VWS en alle andere betrokken partijen, zoals de gemeente Amsterdam.’

Duurzaamheid in beeld

Wat maakt het nieuwe EMA zo duurzaam? Laat je rondleiden van gevel tot daktuin. Klik op de > pijlen in de foto of op de bullets onder de fotoserie.

Omgeving

Dit artikel hoort bij: Kei 8: Duurzaam Vastgoed

Vaart maken met hernieuwbare energie op rijksgrond

Tekst Bas van Horn
Foto De Slufter op de Maasvlakte. Beeld: Havenbedrijf Rotterdam

Zonnepanelen in de slufter, windmolenparken langs rijkswegen. Het Rijksvastgoedbedrijf (RVB), Rijkswaterstaat (RWS) en de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) begonnen eind vorig jaar samen met een pilotprogramma om de opwekking van hernieuwbare energie op rijksgronden slimmer en sneller te organiseren. RVB-projectleider Tara Dekker licht de eerste resultaten toe.

Slim en snel opwekking van energie op rijksgronden organiseren, hoe doe je dat? RVB en RWS werken er beide hard aan. Zo wil het Rijksvastgoedbedrijf zijn openbare procedures voor het uitgeven van rijksgronden versnellen en vereenvoudigen om opwekking van energie op rijksgronden mogelijk te maken. Rijkswaterstaat ziet veel potentie voor zon en wind op eigen areaal (rijkswegen en vaarwegen) en onderzoekt hoe dit areaal benut kan worden voor hernieuwbare energie, zonder de primaire functie in de weg te zitten. Samen met de Rijksdienst voor Ondernemend Nederland (RVO.nl) vroegen de uitvoeringsorganisaties het ministerie van Economische Zaken en Klimaat (EZK) om een opdracht voor een pilotprogramma ‘hernieuwbare energie op Rijks (waterstaat)- areaal’. Die opdracht kwam er bijna een jaar geleden.

Van pilots naar dealflow

Tara Dekker werd bij de start van het pilotprogramma gevraagd als RVB-projectleider met bijzondere aandacht voor de gronduitgifte en contracten. Dekker verwacht vóór het einde van 2020 dat de eerste twee openbare inschrijvingen van start kunnen. Het gaat om drijvende zonnepanelen op baggerdepot de Slufter in Zuid-Holland en om zonnepanelen bij meerder knooppunten langs de A7 in Noord-Holland en Friesland. Achter de schermen wordt ondertussen gewerkt aan zeker 8 andere pilots die een ‘dealflow’ (pijplijn aan projecten op rijksgrond) op gang moeten brengen voor wind en zon op rijksgrond.

Maar voor het zover is, moet op de meeste locaties eerst verder onderzocht worden wat er kan, maar ook wat de omgeving wil. Om te ontdekken wat er kan, moeten de technische eisen van materieel beheerder RWS gekoppeld worden aan de voorwaarden van ingebruikgever RVB. Het RVB geeft de grond voor hernieuwbare energie doorgaans uit voor ongeveer 20 tot 25 jaar; het bewaakt dat de percelen hun oude functie kunnen terugkrijgen en houdt ook rekening met een onbelemmerde primaire functie, een weguitbreiding of andere gewenste ontwikkelingen.

Maatwerk in marktrijp maken

Grond uitgeven voor duurzame energie gebeurt al langer, maar de opstelling van het RVB was doorgaans reactief, dat wil zeggen dat het RVB op verzoeken van overheden en marktpartijen reageerde. Binnen het pilotprogramma is dat anders; het RVB gaat actief aan de slag met locaties die door Rijkswaterstaat als kansrijk zijn beoordeeld. Het ‘marktrijp maken’ begint met alle beschikbare informatie zo helder mogelijk overbrengen. Of het nu gaat om technische kwesties, vergunningen, contracten of de welwillendheid van de omgeving. Wat het verder inhoudt, is een kwestie van maatwerk. Het kan betekenen dat het RVB - in samenwerking met RWS - met decentrale overheden het hele traject van bestemmingsplanwijziging en vergunningen verkent of opstart en marktpartijen een inschatting geeft van lokaal draagvlak en andere omgevingsfactoren. ‘In zo’n geval bied je marktpartijen in feite een turn key-ontwikkellocatie.’

Geen pasklare recepten

Soms willen ondernemers liever zoveel mogelijk eigen speelruimte hebben om met decentrale overheden tot afspraken te komen, blijkt uit een recente marktconsultatie. Ook bij het organiseren van draagvlak maken private en publieke partijen verschillende keuzes. Soms trekken bedrijven het initiatief naar zich toe, soms laten ze het aan anderen over. Sommige regio’s denken helemaal vanuit de Regionale Energie Strategie (RES) andere niet. Gemeenten zonder duurzaamheidsbeleid willen soms ondersteuning of zeggen: ‘regel het maar’. Maar er zijn er ook die graag zelf de regie houden. Dat laatste is bijvoorbeeld het geval bij de zonneroute langs de A37 in Drenthe. ‘Er bestaat dus geen one size fits all-uitgifte’, concludeert de projectleider. Het betekent dat de pilots ook geen pasklare recepten voor verdere uitrol van uitgiften leveren, maar wel instrumenten voor de aanpak, de inrichting van processen en de inzet van mensen in verschillende situaties.

Slufter

De twee projecten die op de rol staan voor een openbare inschrijving in 2020, laten de diversiteit in locaties en kansen goed zien. Bij de Slufter in Zuid-Holland zijn er weinig obstakels waar het gaat om ruimtelijke inpassing en de ruimte op het energienetwerk om extra stroom uit een zonnepark te ontvangen. Hier is het de uitdaging om – in samenspraak met het Havenbedrijf Rotterdam – een vorm van dubbelgebruik mogelijk te maken. Het depot moet namelijk deels havenslib kunnen blijven ontvangen terwijl zonnepanelen, drijvend op de afdekkende waterlaag, stroom produceren. Dat betekent trouwens ook dat de markt dan klaar moet zijn voor de grootschalige exploitatie van zon op water. De locaties langs de A7 in Noord-Holland en Friesland zijn technisch eenvoudiger, maar hier spelen wel weer kwesties rond inpassing en de aansluiting op het energienetwerk.

Vóór 2025 drijven of staan

Na De Slufter en de A7-locaties komen de andere pilots aan bod. De zonneroute langs de A37 in Drenthe is er een van en wordt al jaren besproken. Inmiddels zit er schot in de zaak en zijn er informatieavonden voor de omgeving geweest. Men is nu toe aan het vaststellen van een esthetisch programma van eisen vanuit het landschapsbelang. Gebiedsontwikkeling is nu eenmaal een langdurig proces van praten en afstemmen, stelt Dekker nuchter vast.

Net als in Noord-Holland en elders in dunbevolkt en minder industrieel gebied, zijn hier ruimtelijk genoeg kansen voor duurzame energie, maar is het onderliggende energienetwerk mogelijk te zwak voor een wisselend extra aanbod. ‘Dat betekent creatief zijn in oplossingen’, zegt Dekker die daarmee doelt op cable pooling (slimme aansluitingen delen) en op de mogelijkheid om het vermogen van het zonnepark tijdelijk ‘af te knijpen’ als een te hoge piekbelasting dreigt.

Om tijdig met oplossingen te kunnen komen, worden dit soort praktijkzaken opgepakt in een brede stuurgroep van onder andere RWS, RVB, EZK en de netbeheerders. Zo moeten niet alleen de eerste twee projecten tijdig naar de markt gebracht kunnen worden, maar ook de andere pilots waarover geleidelijk meer bekend zal worden. Over de vraag wanneer we van deze pilots de eerste energieleverende projecten kunnen verwachten, denkt Tara Dekker lang na, maar dan volgt toch een duidelijk antwoord: ‘Die moeten voor 2025 kunnen drijven of staan!’

Kijk en en klik op de kaart voor de huidige projecten in het pilotprogramma Hernieuwbare energie op rijksareaal.

Column

Dit artikel hoort bij: Kei 8: Duurzaam Vastgoed

Dat we weer blij worden

Anke van Hal

Tekst Prof. dr. ir. Anke van Hal, hoogleraar duurzaam bouwen aan Business Universiteit Nyenrode
Foto Anke van Hal. Beeld: Hans Roggen

De bouw en de natuur lijken momenteel, als gevolg van de stikstofproblematiek, twee onverenigbare grootheden. Je bent voor de één of voor de ander, lijkt het. Een ‘fusie van belangen’, zoals wij een win-winsituatie op duurzaamheidsgebied noemen, lijkt onmogelijk. Er lijkt alleen maar sprake van iets of iemand te kort doen. Om moedeloos van te worden.

En zeer waarschijnlijk zou ik dat ook zijn, maar een lezing van een tapijttegelfabrikant, een bezoek aan Milaan en een verhaal van de Deense architect Bjarke Ingels stemmen mij hoopvol.

De tapijttegelfabrikant Interface formuleerde 25 jaar geleden al het streven om als bedrijf de negatieve impact op milieu en maatschappij te elimineren (‘mission zero’, het doel is grotendeels behaald) en ging recent nog een stap verder door te zeggen dat het bedrijf, inclusief de fabrieken, uiteindelijk moet werken als een goed functionerend ecosysteem. “Fabrieken en steden moeten en kunnen gaan functioneren als een bos”, zo stelde het bedrijf. En dat brengt me naar Milaan waar ik met eigen ogen het project kon zien dat al jarenlang geregeld in mijn verhalen opduikt; ‘Bosco Verticale’, het ‘Verticale Bos’ in Milaan van architect Stefano Boerie. Een ontwerp dat grote hoeveelheden CO2 kan opnemen en zuurstof produceert en nu navolging krijgt door vele architecten op uiteenlopende plekken in de wereld. Ook in Nederland gaat Boerie aan de slag. In Utrecht bouwt hij een woontoren met heel veel groen aan de buitenkant naast een toren van Roberto Meyer die eveneens bijdraagt aan een betere luchtkwaliteit. En ik weet het, CO2 en zuurstof zijn heel wat anders dan stikstof. Maar ik verwacht dat ook daarvoor door creatieve geesten oplossingen gevonden gaan worden. Zoals in een ziekenhuis in Mexico Stad waar een materiaal in de gevel is verwerkt dat stikstof kan afbreken. En dat materiaal kan ook in straatstenen, dakpannen en geluidswallen verwerkt worden. Het betreft nu nog een vorm van beton, waar uit milieuoogpunt nog wel het een en ander op aan te merken is, maar dat er over dit soort oplossingen wordt nagedacht is hoe dan ook fijn. En dat tenslotte, brengt me bij de term die ik Bjarke Ingels hoorde gebruiken, en die me altijd is bij gebleven: hedonistische duurzaamheid oftewel duurzaamheid die blij maakt. Zijn meest aansprekende voorbeeld is een ultramoderne energiecentrale die niet alleen met een energie-efficiëntie van 99% dubbel zo efficiënt is als zijn voorganger maar bovendien is vormgegeven als een skipiste. Je kunt vanaf het dak op 85 meter hoogte via een blauwe, rode of zwarte skiroute naar beneden skiën.

Dat hedonistische streven van Ingels spreekt me aan, net als de visies van Boeri, de tapijttegelfabrikant en vele andere visionairs. De stad functionerend als de natuur; dat is pas een fusie van belangen! Laten we daar met zijn allen naar streven. Misschien dat de problematiek waar we nu zo heftig mee geconfronteerd worden dan zorgt voor een echte kwaliteitsslag. Dan levert de huidige ellende toch nog iets goeds op. Om echt blij van te worden.

Toen en Nu

Dit artikel hoort bij: Kei 8: Duurzaam Vastgoed

Van zakelijk naar huiselijk

Nationale Ombudsman

Tekst Anka van Voorthuijsen
Foto Interieur Nationale Ombudsman. Beeld: Arenda Oomen

Vanaf de openbare weg valt het pand Bezuidenhoutseweg 151, waar het kantoor van de Nationale ombudsman in Den Haag is gehuisvest, niet enorm op. ‘Zakelijke jaren-zestig tekentafelarchitectuur’, omschrijft RVB-assetmanager Peter van Riet de bouwstijl. Achter de entree werd de afgelopen tijd ingrijpend verbouwd. Een traditioneel gesloten cellenkantoor maakte plaats voor een state-of-the-art werkomgeving.

Een paar jaar geleden waren de medewerkers van de organisatie nog volstrekt tevreden met een ‘ouderwetse’ kantoorindeling van lange gangen met aan weerszijden aparte kamertjes achter gesloten deuren. Maar inmiddels zijn ze om en waarderen de transparantie in het aangepaste interieur en zijn ze fan van nieuwe, meer flexibele werkplekconcepten als aanlandplekken, ankerpunten, cockpit-overlegruimtes, statafels en belcellen.

Naar een nieuwe werkomgeving

Aan de buitenkant kreeg het gebouw eigenlijk alleen een likje verf en werd er nieuwe zonwering aangebracht. Aan de binnenkant ontstond een compleet nieuwe werkomgeving. Het zakelijke karakter heeft plaatsgemaakt voor een serene, bijna huiselijke sfeer. Duurzaamheid was belangrijk bij de aanpak: veel onderdelen zijn hergebruikt, wat past binnen de circulaire ambities van het Rijk. Jaloezieën werden schoongemaakt en weer opgehangen, binnenwanden konden elders in het gebouw terug worden geplaatst, net zoals de kozijnen. De bureaus bleven, maar kregen een nieuw bovenblad. ‘Duurzaam verbouwen betekent overigens niet per definitie goedkoper’ nuanceert Dorien Bos, de projectmanager die namens het Rijksvastgoedbedrijf de verbouwing begeleidde.

Open organisatie

Er waren diverse redenen om te verbouwen. Het aantal medewerkers van de Nationale ombudsman nam de laatste jaren toe, onder andere vanwege de komst van de Kinderombudsman. De medewerkers waren daarom gehuisvest in twee panden, aan weerszijden van een drukke weg. ‘Zo’n barrière bevordert de onderlinge communicatie natuurlijk niet’, zegt projectmanager Dorien Bos. Daarnaast ontstond de behoefte aan een andere manier van werken.

In 2014 werd daarom de begane grond van Bezuidenhoutseweg 151 al verbouwd tot Ombudsplein. Daar staan medewerkers burgers te woord, zowel persoonlijk als telefonisch of via social media. Dat meer open werkconcept beviel zo goed, dat het RVB het verzoek kreeg om dit concept in het hele pand door te voeren. Ook wilden de medewerkers niet meer verdeeld zitten over twee locaties, maar vanuit één gebouw werken. De open organisatie die de Nationale ombudsman wil zijn, is nu zichtbaar in het hele gebouw.

Alle gemeenschappelijke faciliteiten bevinden zich nu op één verdieping: van vergaderzalen tot bedrijfsrestaurant. De gesloten cellenstructuur met lange gangen werd vervangen door de al eerdergenoemde eigentijdse werkplek-concepten. Dat er nu buitenzonwering is en voor de binnenverlichting werd overgestapt op led, heeft eraan bijgedragen dat het energielabel van A naar A+ is gegaan. Er kwam overigens wel een nieuwe klimaatinstallatie: ‘Er zitten nu natuurlijk veel meer mensen in het gebouw.’

Upcyclen

Naast het hergebruik van aanwezige materialen en meubilair is er ook bij de aanschaf van nieuwe producten zo circulair mogelijk gewerkt. Een deel van de nieuwe wandbekleding bestaat uit gerecyclede petflessen. Wat ooit een enorme verzameling oude spijkerbroeken moet zijn geweest, is nu verwerkt tot een gecapitonneerd akoestisch plafond voor het bedrijfsrestaurant: vochtregulerend, geluiddempend en een mooi voorbeeld van ‘upcyclen’.

Het interieur is een wereld van verschil met vroeger, ervaren de medewerkers. Door de gekozen materialen, kleuren en de goede akoestiek heerst er een prettige rust. ‘De look & feel wordt als erg prettig ervaren’, hoort Dorien Bos. De spijkerbroeken en petflessen bepaalden het kleurenschema in het pand: veel grijzen en blauwen.

Een spektakelstuk is de beeldende kunst, in het kader van de percentageregeling beeldende kunst. Deze regeling houdt in dat het Rijksvastgoedbedrijf bij onder andere een verbouwing een percentage van het budget besteed aan kunst. Muren, plafonds en onderkanten van traptreden werden van schilderingen voorzien door beeldend kunstenaar/illustrator/kalligrafist Job Wouters.

Maar toch; in 2000 was dit pand óók al ingrijpend gerenoveerd. Binnen 20 jaar tijd een tweede grote verbouwing, dat lijkt niet erg duurzaam? Deels waar, zeggen Van Riet en Bos. ‘Maar een dependance afstoten is natuurlijk wél bijzonder duurzaam.’

Dit artikel hoort bij: Kei 8: Duurzaam Vastgoed

Colofon

Kei, 8: Duurzaam Vastgoed Jaargang 2019

Magazine van het Rijksvastgoedbedrijf

Publicatiedatum
dinsdag 26 november 2019
Hoofdredactie
Erika Labordus
Productie
Yvonne Hoeberichts, Bas van Horn, Arnold Izeboud (AI), Erika Labordus (EL), Marjolijn Schaap, Marianne Schijf, Irene Visser (IV), Anka van Voorthuijsen, Ruth Zegwaard. Kei is een thematisch magazine. Het komt tot stand onder redactie van het Rijksvastgoedbedrijf en verschijnt twee keer per jaar. Hebt u vragen, suggesties of ideeën, mail onze redactie.
E-mail
postbus.rvb.redactie@rijksoverheid.nl
Internet
https://magazines.rijksvastgoedbedrijf.nl/
Copyright
https://www.rijksvastgoedbedrijf.nl/copyright