Magazine van het Rijksvastgoedbedrijf | Kei 3: Atelier Rijksbouwmeester 2017

Magazine van het Rijksvastgoedbedrijf | Kei 3: Atelier Rijksbouwmeester 2017

Deze printvriendelijke versie bevat niet de volledige inhoud van het online magazine, maar alleen de teksten en een beperkte selectie foto´s. Het hele online magazine met alle foto´s, video´s en multimedia kan worden bekeken op:
https://magazines.rijksvastgoedbedrijf.nl/kei/2017/03/index-kopie

Nog een tip voor het geval u het magazine wil printen: Heeft u een Windows-computer en bekijkt u het magazine met het programma Chrome? Dan adviseren we u voor het afdrukken alleen gebruik te maken van het zogenoemde dialoogvenster (Ctrl+P).

Dit artikel hoort bij: Kei 3: Atelier Rijksbouwmeester

‘De abstractie moet eraf’

Tekst Anka van Voorthuijsen
Foto Rijksbouwmeester Floris Alkemade. Beeld: Arenda Oomen

Floris Alkemade voelt zich goed op zijn plek als rijksbouwmeester. ‘Ik kan vanuit mijn onafhankelijke rol observeren én acteren.’

Hij is nu 18 maanden rijksbouwmeester en Floris Alkemade bereidt zijn derde ontwerpprijsvraag voor. Na ‘A home away from home’, waarbij hij ontwerpers vroeg om na te denken over huisvestingsoplossingen voor asielzoekers en andere woningzoekenden, loopt op dit moment ‘Who cares?’ dat ontwerpers en zorgverleners oproept om samen na te denken over nieuwe zorgconcepten in de naoorlogse wijken. Bij de derde prijsvraag, die najaar 2017 van start gaat, wil hij ontwerpers oproepen om na te denken over ‘een nieuwe agenda voor het platteland en leegstaand agrarisch vastgoed.’ Ontwerpkracht kan een essentiële rol spelen bij het oplossen van fundamentele en urgente maatschappelijke vragen, vindt Alkemade. ‘Als je het alleen van beleid en politiek moet hebben, loop je vaak vast in dezelfde mechanismes. Ontwerpkracht kan nieuwe wegen ontsluiten waardoor je een andere richting en nieuwe toekomstperspectieven ziet.’

Eigen koers

Eén van de ontwerpen van ‘A home away from home’, een huis van polystyreen, wordt waarschijnlijk op proef geplaatst in een vluchtelingenkamp in Libanon. De winnaars van ‘Who cares’ kunnen hun ideeën straks daadwerkelijk gaan bouwen. Alkemade: ‘Ik wil nadenken altijd koppelen aan realisatie. De abstractie moet eraf. Hooggestemde idealen combineren met realiseerbare plannen, dat is waar ik naar op zoek ben.’ Hij grijpt de kansen die hij in deze functie krijgt: ‘Ik koester mijn onafhankelijkheid. Los van politieke belangen of beleid kan ik een eigen koers varen. Dat zie ik ook als mijn opdracht, om vanuit die status aparte te observeren en acteren.’

Ongekend breed

Hij noemt het rijksbouwmeesterschap zoals Nederland dat heeft ingericht ‘een prachtige functie, uniek in de wereld. Vlaanderen heeft ook een rijksbouwmeester, maar die is niet direct gekoppeld aan het rijksgebouwenbestand.’ Het om de 3-5 jaar wisselen heeft zeker nut, vindt hij: ‘Je kunt steeds een andere focus aanbrengen. Dat houdt de dynamiek erin.’ Hij heeft een ongekend brede portefeuille: ‘Ik heb de zorg over zowel de huisvesting van vluchtelingen, als die van onze majesteit.’

Verbeeldingskracht

Door de koppeling van maatschappelijke vraagstukken aan ontwerpkracht hoopt hij de sociale rol die architecten van oudsher hadden, weer nieuw leven in te blazen. Alkemade: ‘De beroepsgroep is gehalveerd tijdens de crisis. Heel goed kunnen ontwerpen, is niet meer voldoende. Architecten moeten verder reiken dan mooi of lelijk, daarvoor hebben opdrachtgevers je niet meer zo nodig. Je hebt een complementaire agenda nodig en die zoek ik in de maatschappelijke vragen waar iedereen mee worstelt en waar niemand goed uitkomt omdat een essentieel onderdeel is: het vermogen om nieuwe toekomstbeelden te bouwen. Die verbeeldingskracht hebben architecten. Daar spreek ik hen op aan, onder meer met die prijsvragen.’

Publieke zaak

Maar zijn agenda bestaat grotendeels uit de omgang met bestaand rijksvastgoed. Alkemade: ‘Niet alleen bouwkundig, maar ook qua programmering. We hebben nu veel met afstoot te maken. Als je een gebouw verkoopt, heb je eigenlijk niets meer over de toekomstige betekenis te zeggen. Maar ons rijksvastgoed is gebouwd of verworven met publiek geld. Op het moment dat je transformeert of verkoopt, heb je, vind ik, ook de taak om die publieke zaak te dienen.’ Wat is de beste manier om betrokken te blijven bij de toekomstwaarde van zo’n gebouw, hoe richt je voorwaardes in bij verkoop, welke samenwerkingen moet je dan aangaan? Alkemade: ‘Bij Paleis Soestdijk gebeurde dat via een prijsvraag: niet alleen op geld sturen, maar ook op randvoorwaarden. Datzelfde gebeurt nu bij de verkoop van de Bijlmerbajes. We hebben samen met de gemeente een proces ingericht waarbij de kwaliteit van de voorstellen even zwaar weegt als het financiële bod.’

Ingewikkelde afstoot

Hij gebruikt vaak het woord ‘ontwerpkracht’. Binnenkort trekken er, op zijn verzoek, studenten van de Designacademy een paar weken naar de leegstaande gevangenis van Doetinchem om daar ter plekke na te denken over de toekomstmogelijkheden van het gebouw. Ook al is die instelling veel kleiner, door de locatie is het een ingewikkelder afstootopgave dan de Bijlmerbajes. Alkemade: ‘Ik wil grote problemen niet met een fatalistische blik tegemoet treden, maar nadenken: wat kunnen we ermee, hoe kunnen we vervolgens de mogelijkheden tonen die zo’n gebouw heeft en partijen daarvoor interesseren?’

Als je het over rijksvastgoed hebt, is geld altijd een belangrijke factor, dat realiseert Alkemade zich uiteraard. ‘Maar ik probeer mij ook op al die andere domeinen te concentreren die voor extra kwaliteit zorgen. Daar zie ik binnen het RVB ook groeiende aandacht voor. Want hoe belangrijk geld ook is, als je daar alleen op koerst, zit je toch meer op de achterbank dan aan het stuur.’

Floris Alkemade is de 38e rijksbouwmeester. De functie bestaat al meer dan 200 jaar. De eerste rijksbouwmeester, 'architect des Konings' Jean Thomas Thibault,had een brede adviesrol bij bouwen voor de Nederlandse samenleving. Na 1957 veranderde de taak van zelf ontwerpen naar adviseur van de rijksoverheid bij concrete bouwprojecten en maatschappelijke discussies op het vakgebied. De laatste 15 jaar, met rijksbouwmeesters Kees Rijnboutt, Wytze Patijn, Jo Coenen, Mels Crouwel, Liesbeth van der Pol, Frits van Dongen en nu Floris Alkemade is de rol verder verbreed tot adviseur van de regering op het gebied van stedenbouw, monumenten, architectuur, infrastructuur, architectuurbeleid en beeldende kunst.

In het voetspoor...

Dit artikel hoort bij: Kei 3: Atelier Rijksbouwmeester

Kwartetten met plafondmedaillons

Tekst Isabel van Lent
Foto Erfgoedadviseurs Johan de Haan en Corjan van der Peet in overleg. Beeld: Arenda Oomen

Twee dagen in het kielzog van erfgoedadviseurs Corjan van der Peet en Johan de Haan zijn twee dagen van onvermoeibaar schakelen, waarbij de Nederlandse (architectuur)geschiedenis in volle rijkdom en obscuriteit aan je voorbij trekt.

De Haan en Van der Peet adviseren de rijksbouwmeester op het gebied van erfgoedzaken. Dat is geen sinecure; het Rijksvastgoedbedrijf bezit honderden monumenten en is onder meer verantwoordelijk voor paleizen, ministeries, gevangenissen en bunkers. Het erfgoed is echter omvangrijker dan de architectuur alleen. Zo stuiten we op een aantal opmerkelijke inboedels. Denk niet alleen aan een zeldzaam 18de-eeuws behang in een Haags herenhuis, maar ook aan een atoombomschuilkelder voor de regering uit de jaren zestig van de 20ste eeuw. Compleet met landkaarten, warme dekens en blikken met witte-bonen-in-tomatensaus. Het laatstgenoemde ensemble heeft nog geen formele monumentenstatus. Van der Peet zoekt uit hoe het toch behouden kan blijven en welke partijen daarbij een rol kunnen spelen.

Kilometers erfgoed

Het erfgoed kan zich ook kilometers ver uitstrekken, zoals in Veenhuizen het geval is. Niet alleen de vele rijksmonumenten getuigen van een bewogen geschiedenis, maar ook het strak verkavelde landschap. Hoe kan dit bijzondere gebied een nieuw leven krijgen, terwijl het in de running is voor een werelderfgoedstatus, maar ook in een gebied ligt dat economisch onder druk staat? Zomaar een van de vragen waar De Haan mee te maken heeft.

Beide mannen zijn soms letterlijk niet bij te benen. Elk onderwerp wordt enthousiast ingeleid met een gedetailleerde toelichting vol historische anekdotes. ‘Natuurlijk zitten wij meestal op kantoor om stukken door te nemen, e-mails te beantwoorden en overleg te voeren’, lacht De Haan. Maar locatiebezoek hoort er zeker bij. En dan openen zich deuren die normaal gesproken gesloten blijven.

  •  Johan de Haan is in april overgestapt naar een andere baan; hij is nu hoofdconservator van Paleis Het Loo in Apeldoorn.

Klik hieronder op de >>> pijlen in de foto of op de nummers onder de foto's en loop mee met Johan de Haan en Corjan van der Peet.

Andere bril

Dit artikel hoort bij: Kei 3: Atelier Rijksbouwmeester

Hoge Raad versus Hoge Raad

Tekst Xandra de Jongh
Foto Vice-president Hoge Raad Jacques Overgaauw voor het schilderij van Helen Verhoeven. Beeld: Arenda Oomen

In het toepassen van de percentageregeling voor de nieuwbouw ging de Hoge Raad niet over een nacht ijs. Het selectieproces van de kunstenaar werd, gelijk de aard van de organisatie, consciëntieus uitgevoerd. Eén ding was vanaf het begin duidelijk. Een figuratief schilderij moest het worden. Een representatie van de Hoge Raad als organisatie, een werk dat ‘uitdaagt en tegelijkertijd verbindt’. De grote vraag was wie het ging maken. In Londen zag de kunstcommissie een aantal grote doeken van Helen Verhoeven, en raakte geïntrigeerd. Wat volgde was een bijzondere samenwerking, een ‘match made in heaven’, met als resultaat een bijzonder schilderij.         

‘Als je zegt het (werk) moet verbinden, dan moet er ook iets zijn om te ver-binden. De samenleving is niet verbonden, het is de rol van de rechters niet alleen recht te spreken maar ook eenheid te creëren. Zo kun je het werk uitleggen, maar een ieder kan erin lezen wat hij of zij wil.’ Voor vice-president Jacques Overgaauw representeert Helen Verhoevens Hoge Raad in het nieuwe transparante onderkomen in ieder geval precies de positie van de Hoge Raad zoals hij die zelf voor ogen heeft: ‘midden in de samenleving, niet in een ivoren toren erboven.’ Overgaauw was als bouwcommissaris en lid van de kunstcommissie nauw betrokken bij de nieuwbouw en de uitvoering van de percentage-regeling. Voor de Hoge Raad was belangrijk dat het kunstwerk door de hele organisatie zou worden gedragen - een abstract werk op de oude locatie was weinig geliefd. Er werd een extra klankbord-groep ingesteld als afspiegeling van de organisatie. In de kunstcommissie zaten immers ‘alleen’ de president, vice-president, procureur-generaal en de directeur bedrijfsvoering. ‘En dan kun je wel zeggen: dat is genoeg, die weten het wel, maar dat wilden we dus niet’, aldus Overgaauw.

Eerherstel

Wat voor soort kunstwerk en waar het moest komen was snel duidelijk. Een schilderij, van groot formaat, voor de ontvangstruimte van de grote zittingszaal, als eerherstel vernoemd naar mr. L.E. Visser. ‘Toen we de eerste keer naar die wand keken dachten we: O jee, dat wordt groter dan de Nachtwacht.’ (KAAN architecten had in de bouwtekeningen dezelfde ruimte met een afbeelding van De Nachtwacht aangeduid als mogelijke locatie voor een kunstwerk).

Huiveren

Kunstadviseur Esther Vonk van het atelier Rijksbouwmeester die de opdracht begeleidde, herinnert zich dat enkele kunstcommissieleden in Londen wel even moesten wennen aan de ‘spannende schildertoets’ van Verhoeven, die zich kenmerkt door een broeierig-psychologische atmosfeer. Een schemergebied van vage figuren, onduidelijke onderlinge relaties en seksueel getinte handelingen. Niet meteen een voor de hand liggende connectie met de Hoge Raad. Ook Helen Verhoeven had aanvankelijk zo haar bedenkingen. Een werk in opdracht had ze nog nooit gedaan. Ze huiverde bij het idee van een groep mensen die achter haar schouder mee zou gluren in haar studio bij elke penseelstreek. Normaal gesproken mag niemand langskomen als ze schildert behalve haar partner, mits hij zwijgt.

Uitdagen en verbinden

Verhoeven liet haar scepsis varen, ze kreeg alle vrijheid voor haar representatie van de Hoge Raad. Wel werd gesproken over de gewenste toon. Het obscene mocht erin zitten, als inherent onderdeel van onze maatschappij, maar niet zodanig dat het bij een eerste blik meteen opdringt. Verhoeven bleek goed uit de voeten te kunnen met de vraag om een werk dat ‘uitdaagt en tegelijkertijd verbindt’. Op eigen instigatie dook ze uitgebreid in de Nederlandse geschiedenis en kreeg ze rechtscolleges van de president en de procureur-generaal over het instituut de Hoge Raad - immers niet vanzelfsprekende kennis voor iemand die op haar 12de naar de Verenigde Staten was verhuisd.

Beeldcitaten

Het klikte goed tussen Verhoeven en de leden van de Hoge Raad, ‘in alle opzichten’ aldus Overgaauw. Volgens Vonk was de sfeer ‘gewoon goed’; er was een open dialoog waarin iedereen alles kon en mocht benoemen. Zo is er gesproken over een aantal kunsthistorische beeldcitaten met onthoofdingen vanwege het recht. Het was in de tijd dat IS de media domineerde met video’s van onthoofdingen. Verhoeven werd gevraagd om bepaalde zaken toe te lichten, wellicht te heroverwegen, maar kreeg alsnog alle ruimte. ’Ik denk ook omdat ze zo goed kon uitleggen waarom ze bepaalde keuzes maakte’, zegt Vonk.

Ongeveer vijf maanden nadat Verhoeven aan het schilderen was geslagen kwam de kunstcommissie in haar Berlijnse atelier over de vloer. Van het door Verhoeven gevreesde over de schouder mee gluren was geen sprake. ‘Achteraf was iedereen enthousiast’, vat Vonk het bezoek samen. 

Trots

Het enthousiasme is blijvend. Natuurlijk over het monumentale schilderij zelf, de positieve reacties van bezoekers, maar Jacques Overgaauw is vooral trots op de rol die de Hoge Raad in dit hele proces heeft gespeeld. ‘Het is natúúrlijk Helens werk, maar het is fantastisch dat wij het tot stand hebben kunnen laten komen.’

Parel

Dit artikel hoort bij: Kei 3: Atelier Rijksbouwmeester

Een thuis voor asielzoekers

Tekst Marianne Schijf
Foto Winnende ontwerpen tijdens Dutch Design Week Eindhoven 2016. Beeld: atelier Rijksbouwmeester

‘Iedereen heeft het gevoel dat met de ontwerpprijsvraag A home away from home de norm is gezet.’ De combinatie van ideeënprijsvraag met betaalde vervolgopdracht blijkt namelijk heel goed te werken. Voor Marcel van Heck en Bart Erens van het atelier is het nu het ‘juiste moment’ om de ontwerpkracht van Nederland aan te spreken om een maatschappelijk probleem te tackelen. Terug naar de traditie van weleer.

Alle credits dus voor rijksbouwmeester Floris Alkemade die in 2016 de samenwerking zocht met Carolien Schippers van het centraal orgaan opvang asielzoekers (COA) en een prijsvraag uitschreef om vernieuwende oplossingen te bedenken voor de huisvesting van de groeiende stroom asielzoekers. Behalve innovatief waren de trefwoorden: flexibel, maatschappelijke meerwaarde en ook toepasbaar voor andere doelgroepen.

Ontwerpkracht

De respons van de architecten- en ontwerpwereld was opmerkelijk groot. ‘Tijdens de economische crisis is het aantal banen in de architectenbranche in Nederland gehalveerd’, zegt Van Heck. Rijksbouwmeester Liesbeth van der Pol maakte toen ruim baan voor ontwerpkracht met het platform Nederland wordt Anders. De prijsvraag A home away from home bood opnieuw de mogelijkheid ontwerpkracht van Nederland te genereren. Het werkte. De ontwerpen stroomden na de start van de prijsvraag binnen. 366 in totaal, van professionals tot studenten, van architecten tot industriële ontwerpers.

Jury

Van Heck en Erens vormden samen met deskundigen van onder andere het COA en Vluchtelingenwerk de technische commissie, die de selectie uit alle 366 inzendingen voor de jury voorbereidde. In de jury zaten behalve rijksbouwmeester Floris Alkemade en COA-directeur Carolien Schippers ook de toenmalige burgmeester van Katwijk, Jos Wientjes; voormalig wethouder van Den Haag, Adri Duivensteijn; professor Mick Eekhout van de TU Delft; auteur en columnist Ferdows Kazemi, en stedenbouwkundige en architect Shyam khandekar.

Dutch Design Week

Erens: ‘Wij hebben categorieën gemaakt en de eerste schifting gedaan.’ De jury koos 6 ontwerpen voor de categorie nieuwbouw en 6 voor de categorie transformatie (van een bestaand gebouw). Uit de 12 plannen die verder uitgewerkt mochten worden, koos de jury uiteindelijk de 6 winnaars. Zij kregen de opdracht én 10.000 euro om een prototype te ontwikkelen. De prototypes zijn eind 2016 tentoongesteld tijdens de Dutch Design Week in Eindhoven.

Prijs voor prijsvraag

Van Heck en Erens zijn nog steeds een beetje verbaasd over het succes. ‘Investeren in een prijsvraag vraagt van ons om hoogwaardige kwaliteit. Want iedereen moet uiteindelijk het gevoel hebben dat we zorgvuldig met alle inzendingen zijn omgegaan, ook de verliezers.’ Dat het is gelukt, blijkt wel uit de nominatie van de prijsvraag voor de EU Mies Award 2017 (genoemd naar architect Mies von der Rohe, red.). Het is helaas bij de nominatie gebleven.

Werkelijkheid

Meerdere winnaars van de ontwerpprijsvraag A home away from home zijn intussen in gesprek met opdrachtgevers. De prototypes worden werkelijkheid. De gemeente Leiden bestelde 100 woningen van het winnende prototype ‘evolutionary wooden houses’. De gemeente Bilthoven oriënteert zich momenteel op het huisvesten van statushouders en urgente woningzoekenden in een van de ontwerpen. Het Platform Opnieuw Thuis (initiatief van het ministerie van BZK, red.) speelde een belangrijke ondersteunende rol bij het enthousiasmeren van gemeenten voor de toepassen van de resultaten van de zo succesvolle prijsvraag.

Traditie

Ook het buitenland toont interesse. Floris Alkemade sprak over dit onderwerp onder andere in Quito op de UN Habitat conferentie en in Mumbai op de conferentie Affordable housing. Van Heck: ‘Het is in deze tijd niet vanzelfsprekend dat ontwerpers helpen bij het oplossen van maatschappelijke vraagstukken. Ooit was dat wel het geval, bijvoorbeeld voor meer hygiëne in woningen aan het begin van de 20e eeuw. Toen werden schone en nette woiningen gemaakt en hadden ontwerpers een vooraanstaande rol. Daarna is er alleen nog gekeken naar grote productie: de Vinex-wijken ontstonden rond 2000. Nu gaan we weer de traditie van weleer oppakken: ontwerpen voor maatschappelijke vraagstukken.’

  • Op de foto's hieronder enkele winnende ontwerpen, tijdens Dutch Design Week geëxposeerd. Beeldmateriaal: atelier Rijksbouwmeester. Klik hieronder op de >>> pijlen in de foto of op de nummers onder de foto's.
Omgeving

Dit artikel hoort bij: Kei 3: Atelier Rijksbouwmeester

Buitenboordmotor

Tekst Michiel Smit
Foto Secretaris van het College van Rijksadviseurs Rienke Groot. Beeld: Arenda Oomen

Het College van Rijksadviseurs adviseert het Rijk sinds 2004 over een innovatieve aanpak van de opgaven in nationale programma’s en rijksprojecten.  Het CRa bewaakt de kwaliteit binnen ruimtelijke projecten waarbij het Rijk is betrokken. De context is met de jaren flink veranderd, maar de onafhankelijke rol van verbinder tussen partijen en katalysator voor verfrissende ideeën is een constante.

'Het College van Rijksadviseurs (CRa) is in zekere zin het geweten van de rijksoverheid', zegt secretaris Rienke Groot. 'We zijn een positief-kritische buitenboordmotor die helpt om de overheid scherp te houden en kwaliteit te laten leveren. In een wereld van projecten met een strikte termijn en een hard budget blijven out of the box-oplossingen vaak buiten beeld en krijgt ruimtelijke kwaliteit niet altijd de aandacht die het verdient. Wij zijn er om dat bij te sturen, om ruimte te geven aan ideeën en oplossingen. Dat doen we door partijen bij elkaar te brengen en vanuit onze onafhankelijke rol te adviseren.'

Integrale blik

Het CRa bestaat uit drie rijksadviseurs: Floris Alkemade, Berno Strootman en Daan Zandbelt. Architect Floris Alkemade is rijksbouwmeester en voorzitter van het CRa, Berno Strootman en Daan Zandbelt zijn rijksadviseurs voor de fysieke leefomgeving. Strootman is landschapsarchitect en Zandbelt is stedenbouwkundige/architect. Zo vertegenwoordigen zij ieder een ontwerpende discipline waardoor ze als team goed in staat zijn met een integrale blik naar vraagstukken te kijken. Groot geeft een voorbeeld. 'Binnenstedelijk bouwen heeft veel voordelen. Het spaart open landschap en natuur, het maakt voorzieningen zoals openbaar vervoer rendabeler en veel activiteiten op een klein oppervlak zorgt voor "agglomeratiekracht". Maar bouwers zien deze voordelen doorgaans niet terug in hun portemonnee en gemeenten ondervinden beperkingen door de grenzen van hun grondgebied. Het CRa kan dan aanschuiven en laten zien hoe je obstakels kunt wegnemen vanuit ons brede blikveld en netwerk. Er kan vaak veel meer dan men denkt. Dát is hoe wij graag werken.'

Onafhankelijk

De onafhankelijke rol is cruciaal bij dit alles. Want wanneer een visie gekleurd zou zijn door belangen, zou het CRa een belangrijk deel van haar geloofwaardigheid verliezen. Maar wat is onafhankelijkheid eigenlijk in dit geval? Groot: 'We werken vóór het Rijk, maar zijn niet ván het Rijk. Er zijn vier ministeries inhoudelijk betrokken bij het CRa: Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, Economische Zaken, Infrastructuur en Milieu en Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen. Zij dragen beleidsvragen aan waar zij graag antwoorden op willen. De rijksadviseurs kunnen vanuit hun eigen ervaringen in de praktijk vraagstukken bijstellen of er nieuwe aan toevoegen. Wij waken ervoor dat we niet "politiek" worden in onze adviezen. We laten wel zien hoe je ruimtelijke kwaliteit een volwaardige plek in beleid en projecten kunt geven en hoe oplossingen vanuit verschillende domeinen daaraan kunnen bijdragen. Een goed voorbeeld is de energietransitie: de komende tijd een heel belangrijk thema voor ons. We hebben geen mening over de vraag hoe snel Nederland precies moet overschakelen en welke doelstellingen jaarlijks worden gesteld. Wel brengen we de ruimtelijke impact in beeld en denken we mee over de manier waarop de energietransitie vorm moet krijgen. Het gaat er daarbij niet alleen om dat het er goed uitziet, maar dat alles klopt. Dat het een landschap oplevert dat over decennia nog begrijpelijk is en bijvoorbeeld omwonenden ook tevreden zijn over het proces.'

Chemie in samenwerking

De drie rijksadviseurs hebben elk hun eigen inbreng en projecten. Daar wordt wekelijks met elkaar over gesproken, met name over de vraag of er verbindingen te leggen zijn. Dat gaat ze goed af, volgens Groot. 'Omdat ze alle drie ontwerpers zijn, zit het integrale denken hen in het bloed. Ze ervaren chemie in de samenwerking, ze hebben het gevoel dat ze op elkaars schouders kunnen gaan staan. Het legt ook extra gewicht in de schaal als ze bij een project niet alleen de eigen inbreng meenemen, maar ook die van de andere adviseurs met hun eigen invalshoek.' Samenwerking werpt ook vruchten af buiten het college. Groot: 'We hebben bij studies over vergroening van steden tot wederzijds genoegen samengewerkt met het Planbureau voor de Leefomgeving (PBL). Het PBL is sterk in het maken en onderbouwen van modellen en scenario's. Vanuit onze ontwerpende rol hebben we daar fundamentele vragen bij kunnen stellen - vormen de aannames die eraan ten grondslag liggen wel de juiste basis voor dit specifieke vraagstuk?'

Toekomst

Groot ziet nu en in de toekomst een nuttige rol voor het CRa weggelegd, juist nu er zoveel rijksbeleid is gedecentraliseerd de laatste jaren. 'Het Rijk kan bij veel zaken niet meer rechtstreeks ingrijpen. Vroeger werd je op de vingers getikt door de inspectie als een ontwikkeling afweek van het rijksbeleid. Nu moet je in gesprek als je ergens wat van vindt, om samen tot een optimale oplossing te komen. En dat is nou juist waar wij voor op de wereld zijn.'

Column

Dit artikel hoort bij: Kei 3: Atelier Rijksbouwmeester

Tuinieren in het vastgoedpark

Tekst Gerben van Dijk
Foto Voorzitter van het Herbestemmingsteam Gerben van Dijk. Beeld: Arenda Oomen

Ik heb het de afgelopen jaren enkele malen meegemaakt. Minister Blok die zich op een vastgoedbijeenkomst profileerde als grootste makelaar van Nederland. Maar liefst 3 miljoen vierkante meter vastgoed moest hij voor het Rijk zien kwijt te raken. Afstoten, zoals dat in beleidstaal heet. Veel vastgoed is overbodig geworden door een krimpende en veranderende overheid. Veelal geldt: nieuwe bestemming en nieuwe eigenaar gezocht!

Het zoeken naar een nieuwe bestemming verhoudt zich lastig met verkopen, of erger nog: afstoten. Ik begreep eens van een belegger dat hij een lijst had met zogeheten ‘ejects’: Vastgoed dat niet meer aan de criteria voldeed en daarom uit de kernportefeuille gehaald was. In deze gebouwen zat geen muziek meer. Graag zo snel mogelijk verwijderen, met zo weinig mogelijk inspanning voor een zo hoog mogelijk bedrag. En wat de nieuwe eigenaar er mee zou gaan doen, moest deze vooral zelf weten. Vanuit beleggersperspectief een prima te verdedigen portefeuillestrategie.

Maar daarmee komt een overheid, of dat nu Rijk, provincie of gemeente is, niet weg. De vastgoedafdeling zou zich nog als de belegger kunnen gedragen die inzet op succesvolle verwijdering van zijn ‘ejects’. De overheid als geheel draagt echter een meervoudige verantwoordelijkheid. Niet alleen de opbrengst voor de schatkist telt. Ook wat de gebouwen in de toekomst bijdragen aan de ruimtelijke, sociale en economische kwaliteit speelt een rol. Gelukkig zien steeds meer betrokkenen dit. Toch is dit besef nog lang niet overal aanwezig.

Ik las over een wethouder die koste wat het kost probeerde te voorkomen dat een gemeentelijk gebouw monument werd. Dat zou de verkoopopbrengst negatief kunnen beinvloeden. Dat erfgoedzorg ook een gemeentelijke taak is, was hij blijkbaar even vergeten. De overheid is toch geen tweedehands autoverkoper die op een handige manier een verkoop erdoor probeert te duwen? Nee, beter past een rol als tuinier die met en namens ons de vastgoedtuin op zorgvuldige wijze onderhoudt, wiedt en snoeit. Zo’n rol biedt mogelijkheden.

Er liggen enorme kansen voor herbestemming als middel om identiteit en kwaliteit van bebouwde gebieden te versterken. Dat speelt op een drietal terreinen:

  • Herbestemmen benut fysieke kwaliteit. Bestaande gebouwen hebben al karakter en patina in tegenstelling tot nieuwbouw.
  • Herbestemmen geeft maatschappelijke meerwaarde. Het gebouw blijft behouden voor de buurt en haar bewoners.
  • Herbestemmen is duurzaam. Het hergebruiken van een bestaand gebouw is de meest pure vorm van circulair bouwen die er is.

Voor een gemiddeld nieuwbouwproject gaan alle registers open om tot aankoop te verleiden. Het is dan ook een gemiste kans als afstoten niet veel verder komt dan een obligaat ‘te koop’-bord en wat slechte foto’s op internet. Het vraagt creativiteit,  verbeeldingskracht en betrokkenheid om de fysieke, maatschappelijke en circulaire kwaliteiten te ontdekken en te laten ‘shinen’.  Als daar vroeg in het verkoopproces aandacht voor is, zou dat de opbrengsten ook in financiële zin nog wel eens gunstig kunnen beinvloeden.

Gerben van Dijk is voorzitter van het Herbestemmingsteam, het team ervaringsdeskundigen dat dilemma’s op het gebied van herbestemming en leegstand agendeert. En hij is werkzaam bij Bouwstenen voor Sociaal, het platform voor maatschappelijk vastgoed.

Toen en nu

Dit artikel hoort bij: Kei 3: Atelier Rijksbouwmeester

‘Laten zien wat je predikt’

Tekst Marianne Schijf
Foto Adviseur bij het atelier Rijksbouwmeester, Guus Enning, bij de expositie 25 jaar architectuurbeleid. Beeld: Arenda Oomen

Het Nederlandse architectuurbeleid bestaat 25 jaar. Een feestje waard, vindt Guus Enning van het atelier Rijksbouwmeester. Hij stond aan de wieg van het rijksbeleid voor architectuur, ‘destijds uniek in de wereld’ en maakte er samen met enkele tentoonstellingsmakers een expositie over.

Architectuurnota

In de jaren 80 van de vorige eeuw was Enning betrokken bij de totstandkoming van de eerste Architectuurnota uit 1991 onder ministers Hedy d’Ancona van Welzijn, Volksgezondheid en Cultuur (WVC) en Hans Alders van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieu (VROM). ‘Twee eerdere ministers hadden het plan opgevat om een architectuurbeleid op poten te zetten: Ed Nijpels van VROM en Elco Brinkman van WVC. Goed plan, maar er lag helemaal niks en er waren ook geen voorbeelden uit het buitenland. Ik heb toen bij de directie Coördinatie Bouwbeleid van VROM het rijksbeleid voor architectuur vormgegeven, samen met de afdeling Bouwkunst van WVC, de toenmalige rijksbouwmeester en nog een aantal collega’s van VROM.’

Van saai naar cultureel verantwoord

In 1991 verscheen die eerste Architectuurnota. Wat zat erachter? In een tijd van stadsvernieuwing en woningnood verrezen in Nederland overal saaie woonblokken zonder kraak of smaak. Met de komst van de Architectuurnota werd bouwen ineens een ‘culturele daad’, waarvoor het Rijk verantwoordelijkheid moest nemen. Enning: ‘Kwaliteit van de architectuur in Nederland stond voorop. Er moest meer samenhang in het rijksbeleid komen en het architectuurklimaat verdiende een extra stimulans. In 1991 werd daarom het Nederlands architectuurinstituut (Nai) opgericht. We hebben ook nog andere instellingen opgericht, zoals  het Stimuleringsfonds voor Architectuur, Architectuur Lokaal en het Berlage Instituut. Het onderwijs werd verbeterd en er werd meer internationaal gedaan. Ook de voorbeeldfunctie van het Rijk werd belangrijker.’

De 7e

En nu? ‘25 jaar later zijn we toe aan de 7e Architectuurnota. De ministeries heten anders: Infrastructuur en Milieu, en Onderwijs, Cultuur en Wetenschap. Samen met de rijksbouwmeester en het College van Rijksadviseurs werken zij aan de  “Actieagenda” om de ontwerpkracht in Nederland te versterken. De rijksbouwmeester is nog steeds het inhoudelijke boegbeeld van het architectuurbeleid, zegt Enning. Het Nederlands architectuurinstituut bestaat ook nog steeds, al heet het nu anders: Het Nieuwe Instituut. Ook het Stimuleringsfonds en Architectuur Lokaal bestaan nog steeds. Intussen zijn er behalve de oude 3 nog zo’n 40 lokale architectuurinstituten en stadlabs in Nederland bijgekomen. Ook is het architectuuronderwijs  aanzienlijk verbeterd. ‘De opleiding is nu  5 jaar in plaats van 4 jaar met daar bovenop 2 jaar beroepservaring. ‘De architecten zijn een inhaalslag aan het maken’, zegt Enning, er wordt veel gedaan om Nederland in het buitenland bekend te maken. ‘Kijk naar de exposities tijdens de Biënnale van Venetië en van Sao Paulo. Het jaarboek Nederlandse architectuur geeft ieder jaar een mooi overzicht. En in Nederland laat het Rijk zelf met grote projecten zien ‘wat het predikt’. Enning doelt bijvoorbeeld op het station van Rotterdam, het Rijksmuseum, de update van de Afsluitdijk, het gebouw van de Rijksdienst voor Cultureel Erfgoed in Amersfoort en het werk aan ons erfgoed, zoals de Hollandse waterlinie. Ook de Gouden Piramide, de rijksprijs voor inspirerend opdrachtgeverschap, laat steeds weer zien welke bijzondere projecten mogelijk zijn als opdrachtgever en ontwerpers gemotiveerd samenwerken. 

Tijden veranderen

‘Het instrumentarium uit de allereerste nota is overeind gebleven’, zegt Enning met voldoening. ‘Maar er komt nu een nieuwe invulling.’ Hoe tijden en daarmee ook het architectuurbeleid en de architectuur veranderen, zie je in woord en beeld in de expositite over 25 jaar Architectuurbeleid, die op 10 februari 2017 in aanwezigheid van oud-minister Hedy d’Ancona en oud-wethouder Adri Duivesteijn officieel werd geopend. Natuurlijk in Het Nieuwe Instituut in Rotterdam. ‘Het gaat om terugblikken, maar ook vooruitblikken om het nieuwe beleid uit de 7e Architectuurnota onder de aandacht te brengen. Het is de bedoeling dat heel Nederland er kennis van neemt, en niet alleen Den Haag.’  

Dit artikel hoort bij: Kei 3: Atelier Rijksbouwmeester

Colofon

Kei, 3: Atelier Rijksbouwmeester Jaargang 2017

Magazine van het Rijksvastgoedbedrijf

Publicatiedatum
donderdag 20 april 2017
Hoofdredactie
Marianne Schijf
Productie
Xandra de Jongh, Michiel Smit, Anka van Voorthuijsen, Isabel van Lent, Gerben van Dijk, Erika Labordus, Marianne Schijf. Kei is een thematisch magazine. Het komt tot stand onder redactie van het Rijksvastgoedbedrijf en verschijnt twee keer per jaar. Hebt u vragen, suggesties of ideeën, mail onze redactie.
E-mail
postbus.rvb.redactie@rijksoverheid.nl
Internet
http://www.rijksvastgoedbedrijf.nl
Copyright
CC0 1.0 Universal