Magazine van het Rijksvastgoedbedrijf | Kei 1: Trippenhuis 2015

Magazine van het Rijksvastgoedbedrijf | Kei 1: Trippenhuis 2015

Deze printvriendelijke versie bevat niet de volledige inhoud van het online magazine, maar alleen de teksten en een beperkte selectie foto´s. Het hele online magazine met alle foto´s, video´s en multimedia kan worden bekeken op:
https://magazines.rijksvastgoedbedrijf.nl/kei/2015/01/index

Nog een tip voor het geval u het magazine wil printen: Heeft u een Windows-computer en bekijkt u het magazine met het programma Chrome? Dan adviseren we u voor het afdrukken alleen gebruik te maken van het zogenoemde dialoogvenster (Ctrl+P).

De restauratie

Dit artikel hoort bij: Kei 1: Trippenhuis

Pronken met andermans veren

de restauratie van de verkeersruimten

'IJssalon wit marmer met bruine soepluchten', zo stonden de trappenhuizen in een rapport beschreven. Nu is het de hemel. Een team van 20 restauratoren oefende 2 jaar lang engelengeduld uit om stukje voor stukje de 17e-eeuwse plafondschilderingen bloot te leggen.

De restauratoren werkten ieder niet meer dan 2 dagen in de week. ‘Het is fysiek heel inspannend. Je kunt niet 5 dagen achtereen met je hoofd in je nek op een steiger staan,’ lacht Ruth Jongsma. Als restaurator was zij al tijdens haar opleiding bij een van de vele onderzoeken in het Trippenhuis betrokken. Zij kent de trappenhuizen met de rijk geschilderde luchten en vogels dan ook als geen ander. In 2007 werkte ze mee aan een proefrestauratie in de gang van het noordelijke huis. Deze proef vormde de aanloop tot een project van 2 jaar waarmee de verkeersruimten van het Trippenhuis in oude 17e-eeuwse glorie zijn hersteld.

Fabel van Aesopus

De schilderingen tonen een veelheid aan prachtige vogelsoorten zoals papegaaien, grutto’s, ijsvogels en kauwen. Lange tijd was de betekenis van de beschilderde plafonds een raadsel. Tijdens de werkzaamheden ontdekten de restauratoren welk verhaal hier is afgebeeld. Het gaat om een fabel van Aesopus. In dit verhaal wil Zeus de fraaiste van alle vogelsoorten tot vorst kronen. Alle vogels verzamelen zich aan de waterkant om hun veren te poetsen en zich op te doffen. De raaf weet dat hij geen kans maakt en wacht tot de anderen weg zijn. Dan tooit hij zich met hun veren tot de prachtigste vogel van het rijk. Voordat Zeus hem tot vogelkoning kan kronen, komen de andere vogels in opstand. Zij pikken de raaf en ontdoen hem van zijn gestolen veren. ‘Pronk niet met andermans veren,’ is de moraal van het verhaal.

IJssalon met bruine soepluchten

De vogels gingen lange tijd schuil onder een pakket aan verflagen totdat ze in 1986 werden ontdekt. De schilderingen werden in de jaren 80 en 90 vrijgelegd, waarschijnlijk grotendeels door het gebruik van chemicaliën. Het eindresultaat was echter niet overtuigend. ‘De restauratie in het zuidelijke huis werd zelfs stopgezet omdat het retoucheren meer op overschilderen leek,’ vertelt Jongsma. Aan het begin van de jaren 90 werden de wanden wit gemarmerd. In combinatie met de gehavende plafonds leverde dit een onsamenhangend beeld op. In een evaluatie uit 1994 werden de verkeersruimten dan ook beschreven als ‘ijssalon wit marmer met daarboven bruine soepluchten.’ In hetzelfde rapport werd aangedrongen op nieuw onderzoek en er volgde een lange periode van lijvige rapportages, evaluaties en afwegingen.

Keuzes en dilemma's

Hans Vlaardingerbroek is restauratiearchitect en was net als Jongsma al in 2007 bij de proefrestauratie betrokken. In 2012 werden zij opnieuw benaderd om de restauratie van de verkeersruimten in goede banen te leiden. Hierbij kwamen ze voor een aantal lastige keuzes te staan. Vlaardingerbroek: ‘Zo hebben we ervoor gekozen om het 17e-eeuwse beeld grotendeels te herstellen. Maar de 19e-eeuwse deuren hebben we wel behouden. Die keuzes en afwegingen zijn verwoord in de restauratievisie. Maar dan begint het echte werk: zorgen dat je alle neuzen dezelfde kant op krijgt.’ Het restauratieteam werd bijgestaan door een restauratiebegeleidingscommissie. Deze commissie adviseerde bij het nemen van lastige beslissingen. ‘Het ging vaak om gewetenskwesties,’ vertelt Vlaardingerbroek. ‘Kunnen we ongebruikelijke oplosmiddelen gebruiken om plafondschilderingen vrij te leggen, hoe ver ga je met retoucheren, wat doe je met de verlichting? Alles was bespreekbaar.’

Onorthodoxe oplossing

Een van deze gewetenskwesties ging over het vrijleggen van schilderingen door chemicaliën. De restauratoren gebruikten chirurgische scalpelmesjes om de grijze verflaag stukje bij beetje weg te steken. Een tergend langzaam proces, waarbij niet te voorkomen is dat de ondergrond soms enige steekschade oploopt. Daarom werden experimenten gedaan met diverse oplosmiddelen. ‘Er was slechts één middel dat werkte’, vertelt Jongsma. ‘Een samengestelde chemische oplosmiddelgel, snel ontvlambaar en niet al te best voor het milieu.’ Een onorthodoxe oplossing waar uitgebreid met de begeleidingscommissie en de arbeidsinspectie over is gesproken. Er kwam groen licht, maar veiligheid en gezondheid stonden voorop. De restauratoren moesten dan ook stevig ingepakt in werkoverhemden, maskers en handschoenen aan de slag. ‘Deze oplossing werkte overigens alleen in het zuidelijke huis’, aldus Jongsma. ‘Je moet het Trippenhuis nog steeds beschouwen als 2 huizen met elk een eigen restauratiegeschiedenis.’

Cosmetica

Bij het retoucheren van de schilderingen is uiteindelijk gekozen voor een losse, schetsmatige uitwerking. Bij de proefrestauratie uit 2007 was de uitvoering van de retouches veel preciezer. ‘We hebben de retouches van de proefrestauratie verwijderd en opnieuw aangebracht, zodat alles vanuit dezelfde intentie is uitgevoerd,’ vertelt Jongsma. ‘Je bekijkt de vogelluchten immers van grote afstand, je staat er niet met je neus bovenop. Uiteindelijk gaat het om de leesbaarheid van de schilderingen.’ Het was vooral een principiële keuze om de schilderingen niet te gelikt te restaureren. Jongsma: ‘Je mag best zien dat deze plafonds het zwaar te verduren hebben gehad. Wat we aantroffen, hebben we aangevuld en leesbaar gemaakt, maar we hebben er niks bij gefantaseerd.’

Het retoucheren ging veel sneller dan het vrijleggen van de schilderingen. ‘Het is niet meer dan een beetje cosmetica’, lacht Jongsma. Vlaardingerbroek beaamt dit. ‘De retouche is het staartje werk, maar maakt verreweg het grootste verschil. Het is belangrijk voor de leesbaarheid en om weer van de schilderingen te kunnen genieten.’

Struikelen in het donker

Tijdens de restauratie zijn niet alleen de schilderingen gerestaureerd. De ‘ijssalon gemarmerde’ wanden zijn geschilderd in de kleurstelling die ook aanwezig is geweest in de 17e eeuw: glad lichtgeel stucwerk gecombineerd met een grijze lijnolieverf waarbij de textuur van de verfstreken duidelijk zichtbaar is. In die tijd kende men immers geen verfrollers. Een groot punt van discussie was het licht in het trappenhuis. Jongsma: ‘Je kunt het heel theatraal maken, maar daarmee doe je geen recht aan een 17e-eeuws trappenhuis. Deze schilderijen zijn juist gemaakt voor een donkere plek.’ Vlaardingerbroek: ‘Maar als je het terugbrengt tot de oorspronkelijke situatie, gaan de gebruikers struikelend door het gebouw. Dat wil je ook niet.’ Uiteindelijk is gekozen voor daglichtlampen in de lichthoven en een enkele lantaarn in het trappenhuis. Een ingetogen oplossing waarmee het historische karakter van de verkeersruimten nieuw leven is ingeblazen.

Tijdlijn

Dit artikel hoort bij: Kei 1: Trippenhuis

Stadspaleis in beweging

Voorgevel van het Trippenhuis

Foto Wim Ruigrok

Door de eeuwen heen heeft het Trippenhuis een breed scala aan bijzondere bewoners voorbij zien komen. Elke gebruiker drukte zijn eigen stempel op het gebouw.

Het Trippenhuis is een van de rijkste voorbeelden van Nederlandse (interieur)architectuur uit de Gouden Eeuw. Het huis werd gebouwd in opdracht van de broers Louys en Hendrick Trip, die hun fortuin hadden gemaakt met de handel in munitie en wapens. Architect Justus Vingboons ontwierp een monumentaal classicistisch stadspaleis waarin 2 woonhuizen schuilgingen.

Tijdlijn

Sindsdien zijn de huizen doorlopend aangepast aan de wensen van de tijd, opgeknapt, samengevoegd en weer gesplitst. Hieronder een chronologisch overzicht van het gebouw, zijn bewoners, de ingrepen en andere mijlpalen.

1660

Op 24 mei 1660 legt de zoon van Hendrick, Louis Trip, de eerste steen van het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal in Amsterdam.

1662

De bouw is voltooid. Op dat moment is het Trippenhuis het grootste woonhuis van de stad. De 2 panden functioneren als zelfstandige woonhuizen, alleen via het comptoir (kantoor) op de begane grond kunnen de broers elkaar bezoeken.

Zuidelijk Trippenhuis

1684 – 1773: komen en gaan van bewoners

Na de dood van Louys Trip in 1684 wordt het zuidelijke huis door zijn nazaten verhuurd. Het is een komen en gaan van bewoners; in amper een eeuw tijd kent het rechterhuis 18 verschillende huurders. Het huis is in bezit van de kleinzoon van Louys, Jan de Marez. Hij sterft in 1718 en laat het na aan zijn vrouw, Elisabeth van Loon.

1730 – 1733: Barokke verbouwing

Elisabeth van Loon trekt in het zuidelijke huis en laat het ingrijpend verbouwen. In een 18e-eeuws huis hoort immers geen ouderwets voorhuis met klinkers maar een deftige marmeren gang. Op de begane grond wordt rijk stucwerk aangebracht in Lodewijk de XIV-stijl. In het voorhuis komen zijkamers aan weerszijden van de nieuwe gang. In het achterhuis krijgen de beschilderde deuren bagetlijsten en worden groen geschilderd. Ook het met vogeltjes beschilderde plafond wordt gewit. Na haar huwelijk in 1733 vertrekt Elisabeth naar Den Haag. Ondanks haar korte verblijf, drukt zij een blijvende 18e-eeuwse stempel op het zuidelijke Trippenhuis.

1773

Na de dood van Elisabeth van Loon in 1752 komt het huis in handen van haar zoon Louis Trip de Marez, die het zuidelijke huis 21 jaar later nalaat aan de stad Amsterdam.

Noordelijk Trippenhuis

1666 – 1696

In 1666 sterft Hendrick Trip. Hij laat het linkerhuis na aan zijn weduwe Johanna de Geer. Na haar dood in 1691 voeren hun 6 kinderen een jarenlange strijd over de verdeling van de verschillende huizen van de familie en de inboedel.

1696 – 1796: 1 huis, 7200 parten

In tegenstelling tot het zuidelijke huis waar de huurders elkaar in rap tempo opvolgen, kent het noordelijke huis gedurende een eeuw slechts één gebruiker. Het wordt verhuurd als logement aan de Kamer van Zeeland van de Oost-Indische Compagnie. De eigendomssituatie van het huis wordt met de jaren wel steeds complexer. De verhoudingen tussen de verschillende nazaten zijn op den duur zo ingewikkeld dat het huis wordt opgedeeld in 7200 parten. Zo wordt kleinzoon Hendrick Trip uit Groningen voor 2538/7200e deel eigenaar en hebben 2 nichten in Den Haag elk een aandeel van 368/7200 in het noordelijke Trippenhuis.

1808 – 1829: in handen van het Rijk

De komst van Lodewijk Napoleon zorgt in 1808 voor een jacht op representatieve gebouwen. Het Rijk wil het noordelijke huis verwerven, maar door de vele eigenaren en aandeelhouders neemt de aankoop niet minder dan 21 jaar in beslag. Het koninklijk Instituut van Letteren en Schoone Kunsten (de voorloper van de huidige KNAW) en het Vaderlands Museum voor Schilderijen en het Prentenkabinet, (het huidige Rijksmuseum) nemen in 1812 hun intrek in de 2 Trippenhuizen.

Het Trippenhuis samengevoegd

1815: de scheidingsmuur doorbroken

Stadsarchitect Abraham van der Hart maakt een ingrijpend verbouwingsplan. Aan de voorzijde op de 1e, 2e en 3e verdieping, wordt de scheidingsmuur tussen de 2 Trippenhuizen afgebroken. Hierdoor ontstaan grote voorzalen die zich over de volle lengte van het gebouw uitstrekken. Aan de achterzijde worden doorgangen gemaakt, maar blijft de scheidingsmuur intact. De 4 achterzalen op de 1e verdieping worden als bibliotheek ingericht.

1851

De Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) wordt opgericht.

1856: onderlinge spanningen

De gebruikers worstelen voortdurend met ruimtegebrek, wat de onderlinge verstandhouding geen goed doet. Vooral het gedeelde gebruik van de grote voorzaal op de 1e verdieping leidt tot spanningen. Deze ruimte fungeert als museumzaal maar is ook in gebruik als vergaderzaal van de Akademie. Uiteindelijk worden de voortdurende conflicten van hogerhand beslecht door de grote zaal weer in tweeën te splitsen. Hiermee wordt een deel van de ingreep van Van der Hart weer ongedaan gemaakt.

1885

Het Rijksmuseum vertrekt uit het Trippenhuis en de KNAW blijft als enige gebruiker over.

1877-1879: plafondschilderingen op de bel-etage ontdekt

Op de 1e verdieping worden 17e-eeuwse plafondschilderingen ontdekt. Zowel in de hoekkamer van het noordelijke als van het zuidelijke huis (de Bestuurskamer en Bilderdijkkamer) worden schilderingen teruggevonden. Architect P.J.H. Cuypers adviseert deze plafonds in het zicht te laten en te restaureren. Onder leiding van restauratiearchitect Van Lokhorst worden ook de schilderingen in de bibliotheek en Rembrandtzaal teruggevonden en gerestaureerd.

1926-1928

Tijdens de restauratie van Jan Kalf komen in de voormalige garderobekamers bloemschilderingen aan het licht. Op dat moment is er geen geld beschikbaar om deze schilderingen te restaureren.

1958-1959

De Akademie koopt het 18e-eeuwse buurhuis aan de Kloveniersburgwal 31 aan, dat door middel van een doorgang met het Trippenhuis wordt verbonden.

1965

Aan de linkerkant wordt een nieuw kantoorgebouw opgeleverd op Kloveniersburgwal 27, van architect F. Sevenhuijsen. Ook dit gebouw krijgt een inpandige verbinding met het Trippenhuis.

1986-1992: plafondschilderingen in de trappenhuizen ontdekt

Tijdens enkele grootschalige restauraties worden in de gangen van het rechterhuis beschilderde plafonds ontdekt. Op deze plafonds zijn luchten met vogels te zien. Later komen ook in het linkerhuis plafondschilderingen aan het licht. Ze worden tijdens de restauratie deels vrijgelegd. Ook de al eerder ontdekte bloemschilderingen in de garderobekamers worden gerestaureerd.

1990-2007

Een periode van diverse onderzoeken naar de schilderingen in de verkeersruimten volgt. In 2007 vindt een proefrestauratie plaats in de gang van het linkerhuis.

2012-2014

In 2012 gaat de restauratie van het noordelijke en zuidelijke trappenhuis van start. Een team van 20 restauratoren werkt in wisselende samenstelling aan dit project. Lees meer over de restauratie in Pronken met andermans veren.

Trivia

Dit artikel hoort bij: Kei 1: Trippenhuis

Meneer Beerta

Voorpagina Het Bureau deel 1

De iconische verschijning van het Trippenhuis siert de boekomslagen van de romanreeks ‘Het Bureau’ van J.J. Voskuil.

Deze populaire boekenserie beschrijft het werkende bestaan van Maarten Koning bij het Bureau voor Dialectologie, Volks- en Naamkunde. Voordat het instituut in 1969 verhuist naar de Keizersgracht 569-571, is het gevestigd in een inmiddels gesloopt gebouw achter het Trippenhuis. In het boek beschrijft Voskuil hoe Maarten samen met zijn toenmalige directeur, meneer Beerta door de tuin naar het hoofdbureau (de KNAW) wandelt.

‘Van der Haar was secretaris van het Bestuur van het Hoofdbureau en in feite dus Maartens hoogste werkgever. Hij zat in een ruime, goed gemeubileerde kamer, met een groot bureau, een tapijt, een vergadertafel en een zitje. Ze liepen er samen heen door de tuin, over het grindpad, nadat Beerta eerst telefonisch geïnformeerd had of hun bezoek gelegen kwam. Maartens eerste indruk, toen ze zijn kamer binnenkwamen en hij Van der Haar vanachter zijn bureau zag opstaan, was dat deze man te klein was voor de kamer.’ (Fragment uit Het Bureau 1)

Het Rijksvastgoedbedrijf

Dit artikel hoort bij: Kei 1: Trippenhuis

Nog niet klaar met het Trippenhuis

Frits Beijes bekijkt plafondschildering in Trippenhuis

Foto Levien Willemse

Vanuit het Rijksvastgoedbedrijf begeleidde Frits Beijes 2 jaar de uitvoering van de restauratie van de verkeersruimten. Missie geslaagd in het voorjaar van 2014. Hoe nu verder?

Beijes heeft meer met mensen dan met gebouwen. Toch is hij al zo’n 13 jaar actief in het rijksvastgoedbeheer. Zijn ogen twinkelen als hij praat over zijn laatste grote klus: de restauratie in het Trippenhuis. Onder begeleiding van het Atelier Rijksbouwmeester werkte een team van deskundigen om de 17e-eeuwse trappenhuizen en gangen weer in oude luister terug te brengen. Bij het project was de betrokkenheid van de gebruikers van groot belang. Beijes kijkt tevreden terug op de samenwerking. ‘De KNAW is een veeleisende gebruiker, maar dat is ook goed. Ze hebben hart voor dit gebouw. Ze wonen hier immers al 200 jaar. Als je een pand al zo lang huurt, beschouw je het als je eigen huis.’

1 cm² in een uur

Als projectleider hield Beijes zich vooral bezig met de mensen achter de restauratie: ‘Ik ben verantwoordelijk voor het budget, maar ben er ook om de gezondheid en de veiligheid van het restauratieteam in de gaten te houden. Een belangrijk deel van mijn werk is om mensen mee te krijgen, ze te motiveren.’ Het vrijleggen van de schilderingen op de trapschilden en plafonds was verreweg de meest inspannende klus voor de restauratoren. Beijes: ‘Een restaurator doet wel een uur over 1 cm². Precisiewerk dus. Een andere kluif was het wegwerken van de houtwormen in de gangbogen met prachtige bloemillustraties. En het hout bewerken met oorspronkelijke lijnolieverven. Verder onderging ook het marmer in de gangen een grondige schoonmaakbeurt.’

Archeologische vindplaats

Beijes is nog lang niet klaar met het Trippenhuis. ‘De plafondschilderingen in de Rembrandtzaal zitten voor een deel los. We onderzoeken nu of we de loskomende schilfertjes kunnen vastplakken, het oppervlak kunnen reinigen en misschien de beschadigingen kunnen retoucheren.’ In de gangen op de begane grond zijn ook plafondschilderingen ontdekt. Zou hij die niet tevoorschijn willen halen? ‘Deze ruimten zijn een mengelmoes van stijlen en periodes. De plafondschilderingen op de begane grond zijn verstopt achter 19e-eeuws stucwerk. Dat is inmiddels ook al 200 jaar oud. Je kunt dat er niet zomaar uit slopen. Net als bij een archeologische vindplaats is elke periode een laag die je af kunt pellen. Daar moet je heel voorzichtig mee omgaan. Hier is dan ook niet over een nacht ijs gegaan. De beslissing om het stucwerk te behouden is genomen in nauw overleg met diverse experts en het Atelier Rijksbouwmeester.’

Groot onderhoud

Zeer binnenkort start de aanbesteding voor een opknapbeurt van het naastgelegen 20e-eeuwse pand Kloveniersburgwal 27. De ruimte voldoet niet meer aan het intensieve gebruik door de KNAW. Ook de inrichting is aan vernieuwing toe. Daarnaast worden de brandmeldinginstallaties van het Trippenhuis onder handen genomen en vindt groot onderhoud plaats. Beijes: ‘Dit gebouw gaat al eeuwen mee en laat zich nog steeds goed gebruiken. Daarmee is het een toppunt van duurzaamheid.’

Film renovatie Trippenhuis

In opdracht van het atelier Rijksbouwmeester is een film over de renovatie van het Trippenhuis gemaakt.

De familie Trip

Dit artikel hoort bij: Kei 1: Trippenhuis

De propaganda van wapenkoningen in beeld

Detail plafondschildering Rembrandtzaal

Als handelaren van ‘wapenen, geschut, cogels & amonitie’ in een tijd dat het altijd wel ergens oorlog was in Europa, groeiden de Trippen uit tot een van de rijkste families in de 17e eeuw.

Het Trippenhuis is doordrenkt van iconografische verwijzingen naar het beroep van de gebroeders Trip. Bijzonder is dat zij zichzelf niet presenteerden als oorlogsmakers maar juist als vredestichters. Want uit oorlog komt vrede voort, zo was hun motto: Ex bello pax. Overal in het Trippenhuis wordt nadrukkelijk verwezen naar dit zorgvuldig geconstrueerde imago van de familie: internationale wapenleveranciers én bewaarders van de vrede.

Wapenimperium

Louys (1605-1684) en Hendrick Trip (1607-1666) waren de zonen van Jacob Trip en Margaretha de Geer. Vader Jacob Trip had in Dordrecht een bloeiende handel opgebouwd in zout, ijzer, koper, aandelen en wapens. De broer van moeder Margaretha, Louys de Geer, had in Zweden een sterke positie verworven door zijn imperium van ijzergieterijen en wapenhandel. Louys en Hendrick, die in hun jeugd veel tijd doorbrachten bij hun oom en van hem de fijne kneepjes van het vak leerden, ontwikkelden zich later tot zijn meest geduchte concurrenten. In 1631 begonnen zij hun eigen handel in ‘wapenen, geschut, cogels en amonitie van oorloge’ in Amsterdam. Door een gunstig huwelijk met Johanna de Geer wist Hendrick zijn handen te leggen op een geschutgieterij en ijzermijn bij Nyköping in Zweden. Hiermee maakte hij een einde aan het marktmonopolie van zijn oom. Vanaf dat moment nam de rijkdom en invloed van de broers alleen maar toe. Louys Trip zou in 1674 zelfs toetreden tot het stadsbestuur als een van de 4 burgemeesters van Amsterdam.

Koninklijke allure

De bouw van het Trippenhuis in 1660 was een prestigeproject. Met een stadspaleis van koninklijke allure dat in zijn vorm en rijke decoraties niet onderdeed voor het stadhuis op de Dam, lieten de broers geen twijfel bestaan over hun vergaarde rijkdom en politieke ambities. De Trippen trokken gerenommeerde kunstenaars aan zoals Allaert van Everdingen, Nicolaas de Heldt Stockade en Ferdinand Bol. Zij werden ingeschakeld om de broers, hun familie, hun banden met Zweden én hun idealen als ‘vredestichters’ te verbeelden.

Trivia

Dit artikel hoort bij: Kei 1: Trippenhuis

Nachtwacht onder het tapijt

‘Deftig bezoek bij de nachtwacht’, schilderij door A. Jernberg 1874

In een krantenartikel uit 1897 is een wel heel opmerkelijke anekdote over het bezoek van keizer Napoleon in 1811 aan Amsterdam te lezen.

De Nachtwacht zou onder een vloerkleed in het Trippenhuis zijn verstopt om te voorkomen dat het schilderij naar Parijs zou verdwijnen. Hoewel het bijzonder twijfelachtig is of het verhaal op ware gebeurtenissen is gebaseerd, is het nog steeds de moeite van het navertellen waard.

Verstopte kunstschatten

Keizer Napoleon bezocht Amsterdam in 1811, een jaar nadat zijn broer koning Lodewijk Napoleon het land had verlaten en Nederland bij Frankrijk was ingelijfd. Na het vertrek van koning Lodewijk Napoleon werd een aantal belangrijke kunstwerken uit het Paleis op de Dam ondergebracht in het noordelijke Trippenhuis bij kunsthandelaar Cornelis Sebille Roos. Het stadsbestuur was namelijk bang dat Franse hoogwaardigheidsbekleders de kunstschatten als souvenir zouden meenemen.

Tijdens het bezoek van de keizer aan de stad in 1811, werd besloten om een aantal schilderijen – waaronder de Nachtwacht – uit hun lijst te halen en onder een vloerkleed te verstoppen. Mocht Napoleon langskomen, dan zou de familie Roos zich in het tuinhuis schuilhouden en de keukenmeid de keizer ontvangen. Zo geschiedde. Napoleon werd rondgeleid door een dienstertje met een huilend kind op haar arm. Ze bezochten ook de zaal waar de Nachtwacht en de Schuttersmaaltijd hadden moeten hangen. Napoleon en zijn gezelschap keken vertwijfeld rond, maar hadden geen idee dat ze bovenop de schilderijen stonden. Uiteindelijk droop het gezelschap af zonder iets mee te nemen.

Dit verhaal is van generatie op generatie doorverteld en werd als eerste gepubliceerd in ‘Het nieuws van den dag’ van 27 juni 1897. Het artikel is opgetekend uit de mond van Mietje Chardet. Haar moeder Anna Catharina Muller was de keukenmeid die Napoleon zou hebben misleid.

Afbeelding bovenaan: Deftig bezoek bij de Nachtwacht, August Jernberg, 1874. Bron: Wikimedia Commons

De bewoners

Dit artikel hoort bij: Kei 1: Trippenhuis

Hart voor het pand

Het interieur van het Trippenhuis aan de Kloveniersburgwal tijdens een vergadering van de Koninklijke Academie van de Wetenschappen in 1900, Martin Monnickendam.

De organisatie is continu in beweging maar kent één stabiele factor: al ruim 200 jaar woont de Koninklijke Nederlandse Akademie van Wetenschappen (KNAW) in het monumentale Trippenhuis. Drie betrokken gebruikers delen hun fascinaties, herinneringen en anekdotes.

Boekenpakhuis met grijze stoflagen

Joan van der Waals is moleculair fysicus en met zijn 95 jaar een van de oudste KNAW-leden. Van der Waals put uit een ijzeren geheugen als hij het Trippenhuis van vroeger gedetailleerd beschrijft. ‘Het moet in de oorlog geweest zijn, toen ik hier voor het eerst kwam. Ik studeerde natuurkunde en kreeg een briefje mee van mijn professor die lid was van de Akademie. Dan ging ik in de bibliotheek wetenschappelijke tijdschriften zitten lezen. Het gebouw maakte een nogal ouderwetse indruk: een donker boekenpakhuis met grijze stoflagen. Dat beviel me heel goed.’

Van 1984 tot 1987 zat hij in het bestuur van de KNAW. ‘In die tijd was een schilder bezig om figuratief schilderwerk te vernieuwen. Ik zag meteen dat het niet deugde. De kleuren pasten niet, het was veel te nieuw en te vrolijk. Na overleg in het bestuur ben ik toen naar de Rijksgebouwendienst gestapt, die de werkzaamheden meteen stillegde. Daarna werd ik gevolmachtigde van het bestuur in het projectteam dat onder leiding van de architecten Mol en Van Roosmalen de grote restauratie van de jaren 1988 tot 1991 begeleidde.’ Sindsdien is Van der Waals nog steeds actief in de Trippenhuiscommissie die zich bezighoudt met de restauraties en inrichting van het pand.

Geen dames met stilettohakken

Sjors Dekkers kent het Trippenhuis als geen ander. Hij begon in 1993 bij de KNAW als archivaris, maar raakte al snel betrokken bij het wel en wee van het monumentale pand. Als hoofd van de facilitaire dienst treedt hij inmiddels op als conservator van het Trippenhuis. ‘Ik ben een generalist. Het gaat mij om het hele domein, niet alleen het beheer, beveiliging en schoonmaak, maar ook de restauraties, de architectuur, de schilderijen en de stijlkamers.’

Hij heeft er zijn handen vol aan. ‘Het valt niet mee om dit monument een beetje op orde te houden,’ lacht hij. ‘Het gebruik staat haaks op de conservering.’ Dan moet hij creatieve oplossingen verzinnen. Zo kunnen dames met stilettohakken terecht in zijn ‘schoenenwinkeltje’. ‘We hebben elegante pumps in alle soorten en maten, maar wel met een rubberen zool, zodat de kwetsbare grenen vloer van de Rembrandtzaal ongeschonden blijft. Je moet dat gewoon uitleggen. We bieden bezoekers vaak een rondleiding in het gebouw aan. Dat geeft inzicht en begrip. Ook andere groepen kunnen op aanvraag een rondleiding krijgen. Dit pand mag immers gezien worden. Het is zo bijzonder dat dit huis al zo lang leeft en nog steeds in ontwikkeling is. Er komen nog steeds nieuwe verhalen los.’

Van wezen naar wapens

Mieke Zaanen is de kersverse directeur van de KNAW. Sinds februari 2015 is ze te vinden in een fraaie kamer op de 2e verdieping, ingericht met de antieke meubels die ze voor een deel kreeg van haar oud-collega’s uit het Maagdenhuis. ‘Ik ben van de wezen naar de wapens gegaan.’ Zaanen is opgeleid als jurist, maar architectuur werd haar met de paplepel ingegoten. ‘Mijn vader was ingenieur. Het was natuurlijk ondenkbaar om hetzelfde beroep te kiezen, maar als ik het kon overdoen was ik naar Delft gegaan. Als ik een oud gebouw binnenloop, zie ik gelijk allerlei mogelijkheden,’ lacht ze.

‘Dit gebouw heeft dezelfde robuustheid als het Maagdenhuis. Wat ik bijzonder vind, is dat het Trippenhuis ook echt voelt als het huis van de wetenschap. Er is altijd wat te doen, het is een komen en gaan van mensen. Het nadeel is wel dat het lastig is om spontane ontmoetingen te hebben. Het huis is toch enigszins een doolhof. Je moet echt op pad gaan om mensen te zien. Daarom verhuis ik binnenkort naar een kamer op de begane grond. Dan ben ik beter benaderbaar voor collega’s en bestuurders en zit ik midden in die mooie drukte.’

Meer weten? De KNAW maakte een korte documentaire over de geschiedenis van het Trippenhuis en de Akademie.

De architectuur

Dit artikel hoort bij: Kei 1: Trippenhuis

‘Curieus maar verbluffend’

Henny Brouwer

Voor restauratiearchitect Henny Brouwer is het Trippenhuis een onuitputtelijke bron van informatie. Een gesprek over classicistische zuilenordes, herontdekte vensterprofielen, gespiegelde plattegronden en een nooit gebouwde koepel.

Henny Brouwer is sinds 1984 bij de restauraties en vele bouwkundige onderzoeken betrokken. ‘Ik ben er talloze keren over de vloer geweest’. Het Trippenhuis stelde Brouwer in al die jaren regelmatig voor verrassingen. Wat heeft haar het meest verwonderd? ‘Je zou verwachten dat een huis na zoveel tijd veel meer is aangetast, maar het Trippenhuis is redelijk ongeschonden 17e-eeuws gebleven.’

Hiërarchisch systeem

Zo werd ze verrast door de manier waarop de verdiepingen zich hiërarchisch tot elkaar verhouden. ‘Als systeem klopt het gebouw helemaal. In de kelders bevinden zich de keukens, op de begane grond werd gewoond, de hoofdverdieping of bel-etage was de representatieve verdieping voor ontvangsten. Hier is de vormgeving het rijkst. Het moest een feest zijn om dit huis binnen te komen. Na dit hoogtepunt wordt de vormgeving naar boven toe steeds eenvoudiger. Dat is te zien aan het decoratieschema, maar ook aan de profielen van vensters en de architraven van de deuren. De 2e verdieping was vooral bedoeld als privéwoonruimte, de 3e voor opslag. Deze hiërarchische systematiek is tot in de kleinste details uitgewerkt en goed intact gebleven.’

Scandinavische voorbeelden

Hendrick en Louys Trip besloten om met de architect Justus Vingboons in zee te gaan, de jongere broer van de veel beroemdere Philips Vingboons. Dat lijkt een opmerkelijke keuze. Brouwer legt uit dat dit alles te maken had met de banden van de broers met Zweden. ‘Als eigenaren van ijzergieterijen in Zweden verbleven de Trippen regelmatig in Stockholm, waar hun oom Louys de Geer als grootindustrieel al sinds 1627 gevestigd was en in de Zweedse adelstand was opgenomen.

Het is goed mogelijk dat de broers hier al ideeën opdeden voor hun eigen bouwactiviteiten. Brouwer: ‘Zo hebben ze zeker het Riddarhuset bezocht, het belangrijkste bouwwerk in Stockholm van dat moment. Justus Vingboons ontwierp de kolossale Korintische pilastergevel. Het ligt voor de hand dat de broers Trip en Justus Vingboons hier kennis hebben gemaakt en afspraken maakten voor hun toekomstige huis.’

Zwarte gaten

In de 17e eeuw kwam het wel vaker voor dat familieleden gezamenlijk opdracht gaven voor een huis. ‘Dubbelpanden imponeren door hun afmetingen,’ aldus Brouwer. Toch is de oplossing van de gespiegelde plattegronden in het Trippenhuis onorthodox te noemen. De plattegronden van de huizen zijn namelijk gescheiden door een wand die recht op de middelste travee – en daarmee een raampartij – uitkomt. Justus Vingboons loste dit probleem op door gebruik te maken van blinde vensters. Van buiten zag het eruit als een raam, van binnen was de wand gesloten. Volgens Brouwer verstoorde dit het gevelbeeld niet. ‘Dat kun je op de 17e-eeuwse gravures van de voorgevel zien. In tegenstelling tot de achtergevel zijn de kruiskozijnen niet aangegeven. De ramen worden getoond als “zwarte gaten”. Dat komt omdat de ramen diep in de gevel lagen, bijna 80 cm. Je kon ze van de straat dus helemaal niet zien. Dit weten we omdat we sponningen hebben gevonden van de originele kozijnen.’

Paleis op de Dam

Behalve de diepliggende ramen waren ook andere elementen in de voorgevel opvallend te noemen. ‘Als je de gevel analyseert, komen bepaalde keuzes wat curieus voor. Het eindresultaat is echter verbluffend,’ vertelt Brouwer. ‘Ik ken geen gebouw met een vergelijkbare gevel. Decoraties zijn rijker en verfijnder dan die op het stadhuis van Van Campen. Het lijkt erop dat de Trippen hebben geprobeerd om het stadhuis te overtroeven.’

Klik op de kruisjes op onderstaande afbeelding voor meer over de gevel.

Moderne achtergevel

Waar de voorgevel wordt gekenmerkt door overdaad, is de achtergevel daarentegen ingetogen. Na de jaren 60 van de 17e eeuw kwam er een nieuwe, meer sobere vorm van classisisme op in de Nederlandse architectuur. De achtergevel van het Trippenhuis is hier een voorbeeld van. ‘Je kunt zeggen dat de voorgevel van het Trippenhuis bij de laatste opleving hoorde van het “rijke” classicisme. Met de komst van het moderne, meer “sobere classicisme” is de voorgevel in 1660 dus eigenlijk al wat ouderwets,’ vertelt Brouwer.

Koepel

Ook de nooit uitgevoerde koepel vormt een duidelijke referentie naar de architectuur van het stadhuis op de Dam. De koepel is te zien op het bewaard gebleven schaalmodel van het Trippenhuis. Het ontwerp kwam in grote lijnen overeen met de koepel die het stadhuis bekroonde. Gezamenlijk zouden beide koepels boven de andere – veel kleinere – gebouwen in de stad uittorenen. Het wordt altijd aangenomen dat de koepel niet werd gebouwd omdat de constructieve risico’s te groot waren. Brouwer twijfelt hierover: ‘De middenmuur is voorzien van muurstijlen, geschoord op de balklaag. Het lijkt erop dat de grondring van de koepel stevig genoeg is; zo’n koepel heeft een lichte constructie. Volgens mij had het wel gekund.’ Waarom de koepel achterwege werd gelaten, blijft een raadsel.

Gaaf geheel

Zo blijkt het dat er na decennialang onderzoek nog steeds wat te ontdekken valt aan het Trippenhuis. ‘Er komt een steeds completer beeld naar voren van een huis dat volledig gedecoreerd was.’ Zo is bekend dat in het zuidelijke huis het beschilderde 17e-eeuwse plafond van de gang op de begane grond schuilgaat onder een stuclaag. ‘Je zou die laag er af kunnen halen. Bij de deuren en balklagen is het ingewikkelder omdat de schilderingen hier zijn overgeschilderd. Maar als je alle decoraties zou vrijleggen krijg je een veel harmonischer ensemble. Daar zou ik voor willen pleiten. Ik denk dat we een morele plicht hebben om dit te doen. Dit huis is namelijk uniek, het is een exponent van onze interieurcultuur.’

Dit artikel hoort bij: Kei 1: Trippenhuis

Colofon

Kei, 1: Trippenhuis Jaargang 2015

Magazine van het Rijksvastgoedbedrijf

Publicatiedatum
donderdag 18 juni 2015
Productie
Onderzoek en redactie: Isabel van Lent. Kei is een thematisch magazine. Het komt tot stand onder redactie van het Rijksvastgoedbedrijf en verschijnt onregelmatig. 'Trippenhuis' is de eerste uitgave. Hebt u vragen, suggesties of ideeën, mail onze redactie.
Eindredactie
Marianne Schijf
E-mail
postbus.rvb.redactie@rijksoverheid.nl
Internet
http://www.rijksvastgoedbedrijf.nl/trippenhuis
Copyright
CC0 1.0 Universal